Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3809

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
14/5842 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag van appellant met Bulgaarse nationaliteit voor studiefinanciering. De rechtbank heeft met verwijzing naar de “Brummen-jurisprudentie” overwogen dat in rechte vaststaat dat appellant niet aan het 32-uurscriterium voldoet en dat ook uit de individuele omstandigheden niet voortvloeit dat er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid. Bevestiging aangevallen uitspraak met enige verbetering van de gronden. Bij het begin van het studiefinancieringstijdvak 2013 had appellant de leeftijd van 30 jaren bereikt. Zoals uit het oordeel van de Raad volgt met betrekking tot het studiefinancieringstijdvak 2012 had appellant de laatste maanden van 2012 geen aanspraak op studiefinanciering en was er dus geen sprake van het genieten van studiefinanciering zonder onderbreking. Reeds daarom komt appellant niet in aanmerking voor studiefinanciering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/199

Uitspraak

14/5842 WSF

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 september 2014, 14/1654 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P.A. Weterings, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weterings. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

Het onderzoek is heropend, waarna de minister antwoord heeft gegeven op nader door de Raad gestelde vragen.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.C.P. de Vries, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.1.

Appellant, geboren op [geboortedag] 1982, heeft de Bulgaarse nationaliteit. Sinds
1 september 2011 studeert hij in [plaats] aan de [school] .

1.1.2.

Op 16 februari 2012 heeft appellant de eenmanszaak [eenmanszaak] ingeschreven in het handelsregister met als bedrijfsomschrijving “Communicatie- en grafisch ontwerp”.

1.2.1.

Appellant heeft op naam van zijn bedrijf facturen uit 2012 overgelegd met een omzet (exclusief omzetbelasting) aan derden van

- € 126,05 voor een opdracht waaraan hij in mei en juni 71 uur had gewerkt;

- € 84,03 voor een opdracht met 34 uur in juli;

- € 126,05 voor een opdracht met 66 uur in augustus en september;

- € 41,32 voor een opdracht met 18 uur in oktober;

- € 41,32 voor een opdracht met 16 uur in oktober.

Appellant heeft daarnaast urenoverzichten overgelegd met een opgave van in totaal 375 “working hours” in de maanden februari tot en met december 2012. Deze uren hebben niet geresulteerd in facturen aan derden.

Tot de stukken behoort een print “Kolommenbalans” met vermelding van € 242,80 als winst.

Appellant heeft driemaal kwartaalaangifte gedaan voor de omzetbelasting; deze aangiftes leidden niet tot enige voldoening of teruggaaf van belasting.

1.2.2.

Appellant heeft facturen uit 2013 overgelegd met een omzet (exclusief omzetbelasting) aan derden van

- € 165,29 voor een opdracht waaraan hij in januari en februari 49 uur had gewerkt;

- € 1.563,15 voor een opdracht voor de GGD Den Haag met 134 uur in februari tot en met mei;

- € 289,25 voor een opdracht met 35 uur in juni en juli;

- € 247,93 voor een opdracht met 68 uur in augustus en september;

- € 1.200,- voor een opdracht voor [bedrijf] met 76 uur in oktober en november;

- € 237,50 voor een opdracht met 35 uur in december.

1.3.

Aan appellant is op aanvraag studiefinanciering (collegegeldkrediet) toegekend over onderscheidenlijk de laatste vier maanden van 2011 en de eerste vier maanden van 2012. Aan hem is over de maanden mei tot en met oktober 2012 studiefinanciering toegekend, bestaande uit een beurs en een lening.

1.4.

Bij besluit van 14 januari 2013 heeft de minister de aanvraag van appellant voor studiefinanciering voor de periode vanaf 1 november 2012 afgewezen omdat op basis van de ingestuurde bewijsstukken en de door de Belastingdienst verstrekte omzetgegevens niet aannemelijk is dat hij meer dan 32 uur per maand binnen zijn bedrijf heeft gewerkt.

1.5.

De minister heeft het door appellant tegen het besluit van 14 januari 2013 gemaakte bezwaar bij besluit van 15 mei 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft dit besluit bij uitspraak van 7 februari 2014, zaaknummer 13/3478, vernietigd. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat appellant weliswaar niet aan het 32-uurscriterium heeft voldaan maar dat de minister de individuele omstandigheden had moeten onderzoeken ter beoordeling van de vraag of appellant niettemin in aanmerking zou kunnen komen voor studiefinanciering. De rechtbank heeft de minister opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

1.6.

De minister heeft het door appellant tegen het besluit van 14 januari 2013 gemaakte bezwaar bij besluit van 1 april 2014 (bestreden besluit) opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank met verwijzing naar de “Brummen-jurisprudentie” overwogen dat in rechte vaststaat dat appellant niet aan het
32-uurscriterium voldoet en dat ook uit de individuele omstandigheden niet voortvloeit dat er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat na de eerste uitspraak van de rechtbank een volledige heroverweging dient te volgen voor de vraag of er sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid, rekening houdend met de individuele omstandigheden van appellant, en dat daarbij ook aan de orde kan komen of appellant aan het 32-uurscriterium voldoet.

3.2.

In zijn antwoord aan de Raad heeft de minister op de vraag naar het beleid rond de “migrerende zelfstandige” verwezen naar de destijds geldende Beleidsregel inzake het controlebeleid migrerend werknemerschap (Stcrt. 2010, nr. 124) en gesteld dat de afwijzing van 14 januari 2013 betrekking heeft op zowel 2012 als 2013. Voorts heeft de minister gesteld dat er geen sprake is van reële en daadwerkelijke arbeid nu de reële inkomsten na aftrek van de kosten een fractie bedragen van de gedeclareerde bedragen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Ingevolge artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) komt een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar ingevolge een verdrag met een Nederlander gelijk wordt gesteld, in aanmerking voor studiefinanciering.

4.1.2.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo. 883/2004) bepaalt dat personen op wie de bepalingen van de verordening van toepassing zijn, onder dezelfde voorwaarden de rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de wetgeving van een lidstaat hebben als de onderdanen van die staat. Artikel 11, derde lid, onder a, van deze Verordening bepaalt dat de wetgeving van die lidstaat geldt, waarin een betrokkene werkzaamheden, al dan niet in loondienst, verricht.

4.1.3.

Artikel 2.3, derde en vierde lid, van de Wsf 2000 luidt als volgt:

“3. Voor studiefinanciering kan een studerende in aanmerking komen tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.

4. In afwijking van het derde lid behoudt een studerende bij het bereiken van de leeftijd van 30 jaren zijn aanspraak, zolang hij zonder onderbreking studiefinanciering geniet.”

4.2.1.

Niet in geschil is dat appellant in de jaren 2012 en 2013 geen werkzaamheden in loondienst heeft verricht.

4.2.2.

Van het verrichten van werkzaamheden niet in loondienst als bedoeld in Vo. 883/2004 kan sprake zijn bij een geheel van economische activiteiten dat, naar het oordeel van de nationale rechter, een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is. De vraag of er sprake is van dergelijke werkzaamheden valt niet zonder meer te beantwoorden aan de hand van het aantal uren dat met de werkzaamheden is gemoeid. De vraag of appellant in het kader van zijn eenmanszaak [eenmanszaak] ten minste 32 uur per maand aan werkzaamheden heeft verricht is dan ook niet beslissend voor de vraag of er sprake is van werkzaamheden als bedoeld in Vo. 883/2004. De genoemde vraag valt evenmin zonder meer te beantwoorden aan de hand van de omvang van de verworven inkomsten.

4.2.3.

De vraag of de stelling van de minister dat op grond van de Brummenleer in rechte vaststaat dat appellant niet aan het 32-uurscriterium heeft voldaan, juist is, kan in zoverre in het midden blijven dat de juistheid van die stelling niet beslissend is voor de vraag of hij in aanmerking komt voor studiefinanciering. Dit geldt te minder nu uit de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2014 niet valt op te maken voor welk studiefinancieringstijdvak de rechtbank beoordeeld heeft of aan dat criterium is voldaan.

4.3.1.

In de situatie van appellant was er in het studiefinancieringstijdvak 2012 slechts in zeer beperkte mate sprake van het in rekening brengen van gewerkte uren aan een derde en zal de Raad beoordelen of anderszins sprake is van een geheel van economische activiteiten dat een reëel en daadwerkelijk karakter heeft en niet zo gering is dat het van louter marginale en bijkomstige aard is.

4.3.2.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting komt naar voren dat betrokkene in 2012 werkzaamheden heeft verricht in het kader van het ontwerpen van logo’s en websites en dat hij zich heeft geschoold in de daarvoor benodigde vaardigheden. Hij heeft een geringe omzet behaald met uiteindelijk een zeer geringe winst. Deze economische activiteiten zijn dermate gering dat die als van louter marginale en bijkomstige aard moeten worden beschouwd. Dat appellant veel tijd heeft besteed aan de ontwikkeling van zijn eigen vaardigheden doet aan deze conclusie niet af. De minister heeft dan ook terecht beslist dat appellant met ingang van 1 november 2012 geen aanspraak heeft op studiefinanciering.

4.4.

Bij het begin van het studiefinancieringstijdvak 2013 had appellant de leeftijd van 30 jaren bereikt. Zoals uit het oordeel van de Raad volgt met betrekking tot het studiefinancieringstijdvak 2012 had appellant de laatste maanden van 2012 geen aanspraak op studiefinanciering en was er dus geen sprake van het genieten van studiefinanciering zonder onderbreking. Reeds daarom komt appellant niet in aanmerking voor studiefinanciering. De vraag of in het jaar 2013 sprake was van een geheel van economische activiteiten dat een reëel en daadwerkelijk karakter had en niet zo gering was dat het van louter marginale en bijkomstige aard is kan dan ook buiten bespreking blijven, evenals de vraag of de door de minister onder 3.2 genoemde beleidsregel van toepassing is bij werkzaamheden niet in loondienst.

4.5.

Wat is overwogen in 4.1.1 tot en met 4.4 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met enige verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.S.E.S. Umans

SS