Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3808

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/651 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering, in die zin dat appellante is aangemerkt als thuiswonende studerende. Niet woonachtig op brp-adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/651 WSF

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 december 2015, 15/5580 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T. Thissen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Thissen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

De minister heeft, voor zover hier van belang, met ingang van oktober 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellante toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is voor het jaar 2015 voortgezet. Appellante staat vanaf 18 september 2014 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres] . Naast appellante staan onder dit adres ingeschreven een man en een vrouw, die de hoofdbewoners zijn, en hun twee zonen, geboren in respectievelijk 2003 en 2014. Voorheen stond ook de dochter van de hoofdbewoners onder dit adres ingeschreven.

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2015, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 23 juni 2015 (bestreden besluit), heeft de minister de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van 1 oktober 2014 herzien, in die zin dat appellante vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellante over de periode van oktober 2014 tot en met februari 2015 te veel betaalde bedrag van € 1.008,87 is daarbij van haar teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft de minister ten grondslag gelegd een rapport van 14 februari 2015 van een huisbezoek verricht op het brp-adres. Bij het rapport zijn gevoegd verklaringen van de hoofdbewoner en van de beide directe buren van het brp-adres. Het rapport bevat fotomateriaal waaruit valt op te maken dat de door de hoofdbewoner als kamer van appellante, zijn nicht, aangewezen kamer ingericht is met babyartikelen en een eenpersoonsbed. Op basis van dat rapport heeft de minister het standpunt ingenomen dat appellante op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank biedt het rapport van 14 februari 2015 een voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de minister dat appellante op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat in de kamer die volgens de hoofdbewoner van appellante is geen direct tot haar herleidbare spullen zijn aangetroffen. Waar appellante stelt dat zij ten tijde van het huisbezoek al bijna vier maanden op het brp-adres woonde, mag worden verwacht dat in haar kamer haar spullen – zoals haar kleding, ondergoed, post en boeken – zouden liggen. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen de verklaringen van de buren over de bewoning van het brp-adres.

3.1.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Anders dan in de aangevallen uitspraak is geoordeeld, rechtvaardigt de omstandigheid dat nauwelijks persoonlijke spullen van appellante in haar kamer zijn aangetroffen niet het standpunt van de minister dat appellante niet op het brp-adres woonde. Los van het feit dat blijkens de foto’s die bij het rapport zijn gevoegd in deze kamer wel degelijk een boek van appellante lag, zijn alle door de rechtbank genoemde zaken – kleding, ondergoed, post en een laptop (in plaats van schoolboeken) – elders op het brp-adres aangetroffen. Ook zijn de verzorgingsspullen van appellante aangetroffen. Op het moment van het huisbezoek woonde appellante nog maar kort op het brp-adres. Haar kamer was om die reden nog niet helemaal voor haar ingericht. De kamer was al wel ingericht om in te slapen. In de kamer stond een bed dat duidelijk werd gebruikt. Aangezien dit bed niet door de hoofdbewoners, noch door hun oudste of jongste zoon of door hun dochter werd gebruikt, kan het niet anders zijn dan dat dit bed door appellante werd gebruikt. Dit alles maakt aannemelijk dat appellante op het brp-adres woonde.

3.2.

Voorts heeft de rechtbank ten onrechte veel gewicht toegekend aan de omstandigheid dat de beide directe buren niet wisten dat appellante op het brp-adres woont. Appellante woonde op het moment dat de verklaringen werden opgenomen nog maar kort op het brp-adres. Mede gelet op de omstandigheid dat appellante doorgaans vroeg weg gaat en laat terug komt, is het niet ondenkbaar dat de buren niet hebben opgemerkt dat zij op het brp-adres is komen wonen. Daar komt nog bij dat uit de verklaring van een van de buren kan worden opgemaakt dat appellante wel op het brp-adres woont. Een van de buren heeft verklaard regelmatig een meisje anders dan de dochter van de hoofdbewoners bij het brp-adres te zien. Overigens is deze buur hangende beroep teruggekomen van haar eerdere verklaring. Zij heeft bevestigd dat appellante wel op het brp-adres woont.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De bewijslast om aannemelijk te maken dat een studerende niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.5 van de Wsf 2000 rust op de minister.

4.2.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat het rapport van 14 februari 2015 een voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat appellante op het moment van het huisbezoek niet op het brp-adres woonde. Uit het rapport volgt dat behoudens enkele poststukken geen zaken tijdens het huisbezoek op het brp-adres zijn aangetroffen die aantoonbaar van appellante zijn. Daarnaast bevat het rapport verklaringen van buren die nadrukkelijk melding maken van bewoning door de hoofdbewoners en hun beide zoons en van de omstandigheid dat na het recente huwelijk van de dochter geen andere persoon op het brp-adres is gaan wonen.

4.3.

Het betoog dat er wel degelijk een boek van appellante in haar kamer lag, wordt niet gevolgd. Dit betoog is in strijd met de verklaring van de hoofdbewoner. De hoofdbewoner heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat er in het geheel geen spullen van appellante in haar kamer lagen.

4.4.

Het betoog van appellante dat haar kleding, ondergoed, verzorgingsspullen en laptop op het brp-adres lagen, biedt evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel. In het rapport komt naar voren dat de hoofdbewoner tijdens het huisbezoek onder meer kleding, ondergoed en verzorgingsspullen heeft laten zien die naar zijn zeggen van appellante zijn. Nu deze zaken echter niet in de kamer van appellante werden aangetroffen, kunnen deze, gelet op hun aard, niet zonder meer tot appellante worden herleid. Voorts komt in het rapport naar voren dat de hoofdbewoner tijdens het huisbezoek in de woonkamer een laptop heeft laten zien die naar zijn zeggen eveneens van appellante is. Van deze laptop kon echter niet worden vastgesteld aan wie deze toebehoorde.

4.5.

Het betoog van appellante dat het bed in haar kamer eruitzag alsof het was beslapen, biedt ook geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Immers, niet kan worden vastgesteld dat appellante dat bed heeft beslapen.

4.6.

De omstandigheid dat een van de buren in de beroepsfase is teruggekomen van haar eerdere verklaring en heeft verklaard dat appellante na het huwelijk van de dochter in oktober 2014 op het brp-adres is gaan wonen, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraken van de Raad van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512, en 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108) mag in beginsel van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Daarbij komt dat deze buur haar nadere verklaring niet heeft gebaseerd op hetgeen zij zelf heeft waargenomen maar op hetgeen de hoofdbewoners haar (klaarblijkelijk na het huisbezoek) hebben verteld.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering van de gronden waarop zij rust.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM