Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3807

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
16/1689 WSF
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:861, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/1689 WSF

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 februari 2016, 15/2532 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.K. Ramdas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ramdas. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Aan appellant is studiefinanciering toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000. Het aan deze toekenning ten grondslag liggende aanvraagformulier bevat gedetailleerde persoonsgegevens van appellant en van zijn ouders. Naar appellant stelt is de op het formulier geplaatste handtekening niet van hem. Het vermelde rekeningnummer en telefoonnummer zijn hem niet bekend. De toekenning had betrekking op de periode november 2006 tot en met december 2008. De besluiten betreffende deze toekenning zijn gezonden aan het op het aanvraagformulier vermelde correspondentieadres.

1.2.

Bij besluiten van 8 februari 2008 heeft de minister de toekenning herzien omdat appellant niet ingeschreven stond bij een onderwijsinstelling. Het tot en met de maand januari 2008 uitbetaalde bedrag is daarbij van hem teruggevorderd. Over de terugbetaling van de ontstane schuld is appellant geïnformeerd bij diverse aan het correspondentieadres gerichte besluiten. Bij besluit van 5 april 2008 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat zijn schuld is omgezet in een lening.

1.3.

Op 11 oktober 2010 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij zijn lening vanaf 1 januari 2011 moet terugbetalen. Deze mededeling is verzonden aan het adres waaronder appellant stond ingeschreven. Bij bericht terugbetalen 2011 van 6 januari 2011 is aan appellant meegedeeld dat hij de lening moet aflossen met maandelijkse betalingen van € 83,37.

1.4.

Het tegen laatstgenoemd bericht gemaakte bezwaar is aanvankelijk als verzoek om informatie afgehandeld en naderhand bij besluit van 27 maart 2015 (bestreden besluit) alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat voor zover het bezwaar moet worden geacht te zijn gericht tegen de besluiten van 8 februari 2008 moet worden vastgesteld dat dit te laat is ingediend. Deze besluiten hebben appellant ook bereikt, maar hij heeft daar destijds geen bezwaar tegen gemaakt. Voor zover het bezwaar was gericht tegen de berichten van 11 oktober 2010 en 6 januari 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze niet op rechtsgevolg zijn gericht en daartegen dus geen bezwaar openstond, zodat de minister het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep in grote lijnen herhaald wat in eerdere fasen van het geding naar voren is gebracht. Met nadruk is er daarbij op gewezen dat het besluit van
8 februari 2008 niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, zodat het bezwaarschrift, voor zover zich dat richtte tegen dat besluit, wel ontvankelijk is. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat appellant eerder bezwaar had kunnen en moeten maken, nu het besluit hem wel had bereikt. Het in 2008 gevoerde telefoongesprek zou bovendien kunnen worden aangemerkt als een tijdig bezwaar. Voor zover zou moeten worden geoordeeld dat het bezwaar van appellant niet tijdig is ingediend, kan de termijnoverschrijding hem niet worden aangerekend. Tot slot heeft appellant betoogd dat de berichten van 10 oktober 2010 en 6 januari 2011 wel op rechtsgevolg zijn gericht, nu hij de schuld die daarin wordt genoemd, betwist.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Hij voegt daaraan het volgende toe.

4.2.

Appellant beoogt met deze procedure de beslissingen aan te vechten die hebben geleid tot de verplichting de ontstane studieschuld terug te betalen. Enerzijds betreft dat de herzieningsbesluiten uit 2008, nu appellant stelt geen aanvraag te hebben ingediend, en anderzijds betreft dat beslissingen uit 2010 en 2011 waarmee invulling wordt gegeven aan de terugbetalingsverplichting. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze beslissingen in rechte niet (meer) zijn aan te vechten. De Raad wijst er in dit verband volledigheidshalve op dat het vooralsnog onzeker is wat een ontvankelijk bezwaar tegen de herzieningsbesluiten voor appellant zou kunnen betekenen, nu appellant de onjuistheid van de toekenning heeft erkend. In zoverre moet ervan worden uitgegaan dat appellant niet anders bepleit dan dat de schuld niet aan hem, maar aan een ander wordt toegerekend. De herzieningsbeslissing als zodanig wordt daarmee echter niet onjuist.

Zoals de minister terecht in verweer heeft aangevoerd betreffen de berichten van 2010 en 2011 niet het ontstaan van de schuld en worden deze berichten met de enkele betwisting van de schuld geen besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

4.3.

Zoals de minister appellant heeft meegedeeld kan appellant een verzoek om kwijtschelding van schuld indienen op het moment dat na onderzoek is komen vast te staan dat de aangevochten schuld ten onrechte bij hem wordt ingevorderd. Daarbij kan van belang zijn vast te stellen aan wie de betalingen van de aan appellant toegekende studiefinanciering ten goede zijn gekomen. Verder staat appellant de mogelijkheid van draagkrachtmeting ten dienste, waardoor de maandelijkse betalingsverplichting bij gering inkomen kan worden verlaagd of op nihil kan worden gesteld.

4.4.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken en het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) M.S.E.S. Umans

SS