Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3803

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
15/4 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige besluiten. Geen schadevergoeding. Geen overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/4 WMO

Datum uitspraak: 12 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

25 november 2014, 13/7032 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante is, ondanks daartoe te zijn opgeroepen, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft appellante bij besluit van 28 december 2010 in aanmerking gebracht voor hulp bij het huishouden ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), indicatieklasse 3, voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 6 december 2012 in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

1.2.

Het college heeft appellante bij brieven van 19 april 2013, 14 juni 2013 en 25 juli 2013 verzocht verantwoording af te leggen over de besteding van het pgb voor 2012.

1.3.

Bij besluit van 28 augustus 2013 heeft het college het toegekende pgb voor 2012 herzien en vastgesteld op nihil en het niet verantwoorde bedrag van € 4.637,03 teruggevorderd, omdat appellante niet heeft voldaan aan haar verantwoordingsplicht.

1.4.

Bij besluit van 23 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2013 gedeeltelijk gegrond verklaard. Hierbij heeft het college overwogen dat uit de nadere stukken is gebleken dat appellante een bedrag van € 3.659,96 heeft besteed aan hulp bij het huishouden en dat dit betekent dat het terug te vorderen bedrag wordt verminderd tot € 977,07.

1.5.

In beroep heeft het college meegedeeld dat appellante bij nader inzien het gehele pgb juist heeft verantwoord en dat geen grond bestaat voor intrekking of terugvordering van het pgb voor 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van

28 augustus 2013 gegrond verklaard, dat besluit herroepen en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen. De rechtbank heeft daartoe voorop gesteld dat de onrechtmatige besluiten enkel betrekking hebben op de verantwoording van het toegekende pgb voor 2012. De schade die appellante stelt te lijden vanwege niet vergoede bedragen aan loonkosten Wmo in het verleden en in de toekomst houdt daarmee geen verband en komt om die reden niet voor vergoeding in aanmerking. Voor zover appellante stelt dat zij ten onrechte geen pgb of zorg in natura over 2013 en 2014 heeft ontvangen en daarvoor schadevergoeding wenst, kan dat niet in de onderhavige procedure aan te orde komen. De door appellante gestelde kosten voor het werk dat zij en de door haar betaalde mensen hebben verricht bij de voorbereiding van de bezwaar- en beroepsprocedure, kunnen niet anders worden beschouwd dan als proceskosten en komen gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet voor vergoeding in aanmerking nu appellante geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De door appellante opgevoerde kosten die zien op computers, printers, faxapparaten, telefoons, printerpapier, energie-, gas-, fax- en telefoonkosten komen evenmin voor vergoeding in aanmerking omdat deze niet zijn opgenomen in de limitatieve opsomming van te vergoeden kosten op grond van het Bbp. Met betrekking tot het verzoek om immateriële schadevergoeding heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

13 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN5121, overwogen dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de door appellante gestelde pijn, stress, verergering van pijnen en ontstekingen.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover de rechtbank het verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. Appellante heeft in hoger beroep de door haar in beroep gestelde schadeposten herhaald.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (Stb. 2013, 50) in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht is in deze zaak het recht van toepassing zoals dat geldt na 1 juli 2013. Gelet hierop moet worden beslist met inachtneming van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht.

4.2.

De rechtbank heeft op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel.

4.3.

De Raad voegt daar aan toe dat het verzoek van appellante om het college te veroordelen tot het betalen van wettelijke rente niet voor inwilliging in aanmerking komt. Niet is gebleken dat appellante als gevolg van het onrechtmatig gebleken besluit feitelijk een bedrag aan het college heeft betaald. Daarom is vergoeding van wettelijke rente niet aan de orde. De overige schadeposten die appellante heeft gesteld vallen buiten de omvang van deze procedure.

4.4.

Voor zover het verzoek van appellante ziet op een veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden overweegt de Raad als volgt. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009), is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Die situatie is hier aan de orde. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 11 september 2013 tot aan de uitspraak van de Raad zijn nog geen vier jaar verstreken. Van bijzondere omstandigheden om in dit geval af te wijken van de termijn van vier jaar is niet gebleken.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2016.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) N. van Rooijen

UM