Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
15/164 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na tussenuitspraak. Het Uwv heeft met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken hersteld. Het Uwv heeft op goede gronden aan de schatting ten grondslag gelegd de functies met SBC-code 267050, 315020 en 111220. Daarvan uitgaande heeft het Uwv terecht vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 november 2013 niet langer recht bestaat op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1027

Uitspraak

15/164 WIA

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 november 2014, 14/1023 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft op 11 maart 2016 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:CRVB:2016:893).

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 22 maart 2016 ingezonden.

Appellante heeft haar zienswijze over dit rapport naar voren gebracht. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op verzoek van de Raad hierop gereageerd met een rapport van
10 juni 2016. Desgevraagd heeft appellante ook op laatstgenoemd rapport een reactie gegeven. Hierop heeft het Uwv desgevraagd zijnerzijds gereageerd door overlegging van een rapport van even bedoelde arbeidsdeskundige van 4 juli 2016.

De Raad heeft onder toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitvoeriger uiteenzetting van de feiten waarvan bij de oordeelsvorming wordt uitgegaan, wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 11 maart 2016. Hier wordt volstaan met het volgende.

1.2.

In de tussenuitspraak is overwogen dat van de in totaal vier geduide functies, de functies met SBC-code 267050 en 111220 in medisch opzicht passend zijn. De medische geschiktheid van de functies met SBC-code 315020 en 271093 heeft het Uwv echter niet deugdelijk gemotiveerd. Zo is in de arbeidskundige rapporten niet deugdelijk gemotiveerd dat het traplopen in de functie met SBC-code 315020 in medisch opzicht aanvaardbaar is. De Raad heeft het Uwv de opdracht gegeven, met raadpleging van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en zo nodig een arbeidsdeskundig analist, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

1.3.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in een rapport van 22 maart 2016 geconcludeerd dat de functie met SBC-code 271093 niet geschikt is voor appellante. De functie met SBC-code 315020 is wel geschikt. Daartoe heeft hij, onder verwijzing naar eerdere arbeidskundige rapporten, als volgt overwogen. Uit de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 24 januari 2014 blijkt dat appellante licht beperkt is op het onderdeel “4.20 Trappenlopen”. Zij kan zo nodig ieder uur van een werkdag, ongeveer 5 keer per uur, een trap met 15 treden oplopen en weer aflopen. Per uur kan zij 150 treden op- en aflopen en per dag 1200 treden. De belasting in de functie is volgens het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) als volgt onderverdeeld: tijdens 4 werkuren 1 maal ongeveer 6 treden achtereen en tijdens 2 werkuren 1 maal ongeveer 54 treden achtereen. Volgens de geraadpleegde arbeidsdeskundig analist loopt een functionaris in deze functie 1 keer per dag naar de perstoren (54 treden) en 1 keer terug (54 treden). De trappen bij de weegbrug (6 treden) neemt hij vaker, naar het losstaande kantoor toe, als hij het kantoor verlaat om naar de perstoren te gaan en weer naar kantoor terug. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een overleg op 22 maart 2016 de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de belasting op trappenlopen de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt. Appellante is medisch in staat om 54 treden achtereen te lopen, omdat dit in eigen tempo kan en het geen probleem is, indien nodig, tussendoor te pauzeren, temeer daar de functie verder fysiek nauwelijks belastend is.

1.4.

In haar zienswijze van 25 april 2016 heeft appellante naar voren gebracht dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat appellante volgens de informatie van de arbeidskundig analist in korte tijd 60 treden moet trappenlopen. Daarnaast is op de trap naar de perstoren geen mogelijkheid om uit te rusten.

1.5.

In een rapport van 10 juni 2016 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van de in 1.4 vermelde zienswijze nader toegelicht dat de functie met SBC-code 315020 in medisch opzicht passend is. Appellante kan per uur 5 keer 30 treden trappenlopen. Op een werkdag van 8 uur kan zij 1200 treden lopen. In de even genoemde functie moet de functionaris verdeeld over de dag 4 maal 6 en 2 maal 54 treden trappenlopen, in totaal 132 treden per dag. Dat is beduidend minder dan de 1200 treden waartoe zij in staat wordt geacht, waarbij verder van belang is dat de functie vrijwel geheel zittend kan worden verricht. In een telefonisch overleg op 10 juni 2016 heeft een arbeidsdeskundige analist verklaard dat de belasting in de functie conform de beschrijving daarvan is in het CBBS. Het trappenlopen maakt geen deel uit van het werkproces zelf, maar dient om de werkplek te bereiken. De trap is voorzien van trapleuningen. Het is geen probleem om tussentijds even te stoppen en het werkproces komt daardoor niet in gevaar.

1.6.

Onder verwijzing naar de conclusies van het rapport van 10 juni 2016 heeft het Uwv bij brief van 13 juni 2016 meegedeeld dat de zienswijze van appellante geen aanleiding geeft het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. In een rapport van 4 juli 2016 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van de reactie van appellante van
24 juni 2016 gesteld dat de beschrijving van de belasting door de arbeidsdeskundig analist in de functieomschrijving van het CBBS het uitgangspunt is voor de beoordeling of een functie geschikt is.

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Uitgaande van de juistheid van de FML van 24 januari 2014 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapporten van 22 maart 2016, 10 juni 2016 en 4 juli 2016 volledig en deugdelijk gemotiveerd dat de belasting in de functie magazijnmedewerker (SBC-code 315020) binnen de belastbaarheid van appellante valt. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding de naar behoren gemotiveerde standpunten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zoals weergegeven onder 1.3 en 1.5 voor onjuist te houden. Met de niet nader onderbouwde stelling in haar brief van 24 juni 2016 dat zij in deze functie dagelijks 480 treden moet lopen, heeft appellante de onjuistheid van de gegevens in het CBBS niet voldoende gemotiveerd bestreden. Gewezen wordt op de uitspraak van
8 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6390.

2.2.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat het Uwv met de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de in de tussenuitspraak vastgestelde gebreken heeft hersteld. Het Uwv heeft op goede gronden aan de schatting ten grondslag gelegd de functies met SBC-code 267050, 315020 en 111220. Daarvan uitgaande heeft het Uwv terecht vastgesteld dat voor appellante met ingang van 6 november 2013 niet langer recht bestaat op een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, omdat zij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

2.3.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 29 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:375) dient op grond van wat is overwogen in 2.1 en 2.2, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, het beroep gegrond te worden verklaard, het bestreden besluit te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb en dienen de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te worden gelaten.

3. Er is geen grond voor toewijzing van het verzoek om het Uwv te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de bruto na te betalen uitkering.

4. Aanleiding bestaat het Uwv te veroordelen in de kosten voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden in beroep begroot op € 992,- (beroepschrift en zitting) en in hoger beroep op
€ 1.488,- (beroepschrift, zitting en twee maal een zienswijze), in totaal € 2.480,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 februari 2014;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.480,-;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot betaling van gederfde wettelijke rente af;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) C.W.J. Schoor

(getekend) L.H.J. van Haarlem

NW