Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3767

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/6742 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet bevoegd om aanvraag buiten behandeling te laten. Melden reden waarom bankafschrift nog niet beschikbaar was had opgevat moeten als verzoek om uitstel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6742 PW

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

1 september 2015, 15/1385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.M. Menting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Namens appellant is verschenen mr. Menting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.H.M.S. Crienen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 30 december 2014 gemeld bij het UWV Werkbedrijf om bijstand aan te vragen ingevolge de Wet werk en bijstand. Op 21 januari 2015 heeft appellant de aanvraag ingediend. Bij brief van 27 januari 2015 heeft het college appellant verzocht om vóór 10 februari 2015 nadere gegevens over te leggen. Gevraagd is om - voor zover hier van belang - kopieën van bankafschriften over de periode van 1 juli 2014 tot 27 januari 2015 van vier op naam van appellant staande bankrekeningen.

1.2.

Binnen de hersteltermijn heeft appellant een schriftelijke reactie gestuurd op de onder 1.1 genoemde brief van 27 januari 2015 en stukken ingediend. Met betrekking tot bankrekeningnummer [bankrekeningnummer] heeft hij één bankafschrift overgelegd van

28 november 2014. Uit dit bankafschrift kan worden afgeleid dat het vorige bankafschrift was gedateerd op 28 februari 2014, dat het saldo op die datum € 8,01 bedroeg, dat appellant op

14 november 2014 een bedrag van € 8,01 heeft overgeboekt en dat de rekening op

28 november 2014 een saldo had van € 0,-. Ten aanzien van bankrekeningnummer eindigend op 020 heeft appellant gesteld niet bekend te zijn met dit rekeningnummer, waarbij hij het college heeft verzocht om nadere informatie hierover. Met betrekking tot bankrekeningnummer eindigend op [nummer 1] heeft appellant vermeld dat hij die bankrekening nooit gebruikt heeft, dat hij over één tot twee weken een bankpas krijgt en daarna de afschriften kan uitprinten. De bankrekening met nummer eindigend op [nummer 2] is, naar appellant heeft gesteld, opgeheven. Als bewijs hiervan heeft hij een handgeschreven post-it ingeleverd met een stempel van de Rabobank en de mededeling ‘rek. eindigend op [nummer 2] is opgeheven vóór juli 2014 Rabo Venlo’.

1.3.

Bij besluit van 18 februari 2015 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet binnen de termijn alle gevraagde gegevens heeft overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 7 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 februari 2015 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft

- samengevat en voor zover hier van belang - aangevoerd dat hij binnen de hersteltermijn alle gegevens heeft verstrekt waarover hij redelijkerwijs kon beschikken. Ook heeft hij het college voor afloop van de hersteltermijn meegedeeld dat de ontbrekende gegevens zo spoedig mogelijk worden verstrekt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat niet alle gevraagde gegevens binnen de gestelde termijn zijn verstrekt. Ter beoordeling staat vervolgens de vraag of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat hij redelijkerwijs niet de beschikking kon krijgen over de gevraagde stukken en of het college hem een nadere termijn had moeten gunnen om de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken.

4.2.1.

In de onder 1.2 weergegeven schriftelijke reactie van appellant, inclusief de daarbij behorende bijlagen, heeft appellant per bankrekeningnummer inlichtingen verschaft, hetzij door het verstrekken van (een) bankafschrift(en), hetzij door het vermelden van de reden van het ontbreken van de gevraagde afschriften. Appellant heeft vermeld (een deel van) de ontbrekende gegevens over één tot twee weken te kunnen verstrekken. Hij heeft zijn reactie afgesloten met de mededeling dat hij hoopt het college voldoende te hebben geïnformeerd en voor meer informatie telefonisch bereikbaar te zijn, alsmede beschikbaar te zijn voor een persoonlijk gesprek.

4.2.2.

Gelet op de onder 4.2.1 genoemde omstandigheden had de reactie van appellant (voor een deel van de gevraagde gegevens) opgevat moeten worden als een verzoek om uitstel en had het college dienen te reageren op dit verzoek. Daarnaast had het op de weg van het college gelegen appellant te informeren over de voor de beoordeling van de aanvraag nog ontbrekende gegevens, temeer nu appellant - gelet op de inhoud van zijn reactie - in de veronderstelling verkeerde alle gegevens waarover hij redelijkerwijs beschikte te hebben overgelegd.

4.3.

Uit wat in 4.2.1 en 4.2.2 is overwogen volgt dat het college niet bevoegd was de aanvraag van 21 januari 2015 buiten behandeling te stellen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. In dit geval kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand worden gelaten en kan de Raad evenmin zelf in de zaak voorzien. Daartoe is onvoldoende informatie voorhanden. Omdat het college nog geen inhoudelijk oordeel over de aanvraag heeft gegeven acht de Raad toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus evenmin aangewezen en zal de Raad het college een opdracht geven om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het college zal, zoals door appellant is gesteld, bij zijn nadere besluit ook moeten nagaan of en, zo ja, in hoeverre er termen zijn om schade in de vorm van wettelijke rente te vergoeden.

5. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 7 april 2015;

- draagt het college op met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het

bezwaar te nemen;

- bepaalt dat tegen het te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J.L. Meijer

HD