Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3758

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/2492 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar norm van gehuwden. De financiële verstrengeling wordt niet beheerst door een commerciële relatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2492 AOW, 15/2493 AOW

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

3 maart 2015, 14/2748 en 14/2749 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Etten. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1997 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm voor een ongehuwde. Appellant ontvangt vanaf 2005 een ouderdomspensioen ingevolge de AOW naar de norm voor een ongehuwde. Appellanten stonden sinds 21 september 2001 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans: basisregistratie personen) op het adres [adres] te [woonplaats] . In september 2011 zijn appellanten verhuisd naar het adres [uitkeringsadres 1] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres 1), op welk adres appellanten vanaf 23 september 2011 ook stonden ingeschreven. Vanaf 15 maart 2013 staan appellanten in de GBA ingeschreven op het adres [uitkeringsadres 2] te [woonplaats] (uitkeringsadres 2).

1.2.

In april 2010 heeft de Svb een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellanten op het toenmalige adres [adres] te [woonplaats] . Appellanten hebben in dat kader onder meer meegedeeld dat appellant een kamer bij appellante huurt, met gebruik van keuken, douche en toilet, dat sprake is van een zakelijke verhuurder/huurderrelatie en dat appellant

€ 225,- per maand betaalt. Naar aanleiding van de verhuizing van appellanten naar uitkeringsadres 1 heeft de Svb appellanten verzocht informatie over hun woonsituatie te verstrekken. Appellante heeft op het door haar ingevulde en op 26 februari 2012 ondertekende formulier gezamenlijk huishouden onder meer verklaard dat zij en appellant hetzelfde wonen als in [woonplaats] en dat zij door het vele ziek zijn van appellant overwegen een gezamenlijke huishouding te gaan voeren, maar dat ze er nog niet uit zijn. In reactie hierop heeft de Svb appellante bij brief van 6 maart 2012 laten weten dat er vooralsnog geen wijzing zal plaatsvinden in de hoogte van haar ouderdomspensioen. Appellant heeft vervolgens op het door hem ingevulde en op 14 december 2012 ondertekende formulier gezamenlijk huishouden onder meer verklaard dat appellante zijn onderhuurder is en dat er geen wederzijdse zorg is.

1.3.

Naar aanleiding van de gezamenlijke verhuizing en een anonieme melding van 25 juni 2012 dat sprake is van samenwoning van appellanten op uitkeringsadres 1, heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek (afdeling BO) van de Svb een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellanten. De afdeling BO heeft onder meer dossieronderzoek gedaan, bankafschriften bij appellanten opgevraagd, op 19 april 2013 en 22 april 2013 huisbezoeken op uitkeringsadres 2 afgelegd en appellanten op 8 mei 2013 gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 5 november 2013.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor de Svb aanleiding geweest om bij besluiten van

20 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 10 maart 2014 (bestreden besluit), het AOW-pensioen van appellanten met ingang van 1 oktober 2011 te herzien en vast te stellen naar de norm voor gehuwden. Aan de besluitvorming heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voeren.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe hebben appellanten, samengevat, betwist dat zij een gezamenlijke huishouding met elkaar voerden. Volgens appellanten was er, anders dan de Svb en de rechtbank hebben overwogen, geen sprake van financiële verstrengeling op een wijze die niet past bij een commerciële relatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2011 tot en met 20 november 2013.

4.2.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Vaststaat dat appellanten vanaf 1 oktober 2011 beiden hun hoofdverblijf hadden op de uitkeringsadressen 1 en 2, waarmee is voldaan aan het eerste criterium, het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of sprake was van wederzijdse zorg tussen appellanten.

4.4.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5.1.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de onderzoeksbevindingen voldoende grondslag bieden voor het standpunt van de Svb dat sprake was van een financiële verstrengeling tussen appellanten die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en de daarmee samenhangende lasten. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat appellanten vanaf medio 2011 tot 27 februari 2013 over een gezamenlijke bankrekening, [gezamenlijke rekening] , beschikten. Van de gezamenlijke rekening werden onder meer de premies voor de uitvaartverzekeringen van appellanten (polisnummer 1601251 op naam van appellante en polisnummer [polisnummer B] op naam van appellant), de premies voor de zorgverzekeringen van appellanten en de boodschappen betaald.

4.5.2.

Verder hebben appellanten tijdens het gehoor op 8 mei 2013 verklaard dat zij beiden gebruikmaken van de bij die rekening behorende betaalpassen (pasnummer [nummer 1] , onderscheidenlijk pasnummer [nummer 2] ) die op beider naam waren gesteld. Appellanten hebben desgevraagd tijdens dit gehoor ook de bankpassen getoond.

4.6.

Appellanten hebben betoogd dat slechts gedurende een beperkte periode sprake is geweest van een gezamenlijke bankrekening en dat zij een gezamenlijke bankrekening hebben gehad omdat voorzien werd dat appellant veel in het ziekenhuis zou verblijven. Appellante heeft gesteld dat zij tijdens eerdere opnames van appellant in het ziekenhuis geconfronteerd is geweest met de gevolgen van betalingsachterstanden. Appellanten hebben op deze wijze dergelijke problemen willen voorkomen. De uitgaven zijn volgens appellanten in die periode nauwkeurig bijgehouden en later onderling verrekend.

4.6.1.

Dit betoog slaagt reeds niet omdat appellanten de gestelde eerder ondervonden problemen niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken hebben onderbouwd. Uit de wel overgelegde stukken betreffende de ziekenhuisopnames van appellant blijkt dat deze in 2012, laatstelijk in augustus 2012, hebben plaatsgevonden en steeds van korte duur zijn geweest. De gezamenlijke rekening stond echter al in 2011 op beider naam en heeft tot in 2013 op beider naam gestaan. Daar komt bij dat, ook nadat de gezamenlijke rekening in februari 2013 weer uitsluitend op naam van appellante werd gesteld, de premies voor de uitvaartverzekering van appellant (polisnummer [polisnummer B] ) nog van die rekening werden afgeschreven. Verder hebben appellanten op 8 mei 2013 verklaard dat zij ook na februari 2013 beiden gebruik zijn blijven maken van beide bij die rekening behorende betaalpassen. Appellanten hebben de gestelde onderlinge verrekening evenmin met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd. Het door appellanten in bezwaar overgelegde handgeschreven overzicht is daartoe ontoereikend. Daarbij komt dat appellante naar aanleiding van de op dit overzicht vermelde wisselende bedragen voor huur en andere kosten ter zitting bij de rechtbank desgevraagd heeft verklaard dat appellant de huur niet volledig betaalt.

4.7.

De in 4.5 en 4.6 vastgestelde financiële verstrengeling als bedoeld in 4.4 wordt, anders dan appellanten betogen, niet beheerst door een commerciële relatie. In dit geval is immers sprake van een in een dergelijke relatie ongebruikelijke financiële verbondenheid. Hieruit volgt reeds dat de in 4.3 opgeworpen vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Wat appellanten tegen de overige aan de besluitvorming van de Svb ten grondslag gelegde aspecten van wederzijdse zorg hebben aangevoerd, behoeft daarom geen nadere bespreking. De omstandigheid dat de Svb na eerdere onderzoeken heeft vastgesteld dat appellanten geen gezamenlijke huishouding voerden leidt, anders dan appellanten menen, niet tot een ander oordeel, reeds omdat de Svb ten tijde van die eerdere onderzoeken niet bekend was met de financiële verstrengeling tussen appellanten.

4.8.

Uit 4.2 tot en met 4.7 volgt dat de Svb zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten vanaf 1 oktober 2011 een gezamenlijke huishouding voeren.

4.9.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L.V. van Donk

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD