Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3755

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/1995 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Auto op naam. Waarde boven vermogensgrens. Leenconstructie is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1995 WWB

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

9 februari 2015, 14/3805 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lodder. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C. van der Voorn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (thans: Participatiewet). Op 18 juli 2013 heeft appellant door middel van een vakantiemeldingsformulier aan het college doorgegeven dat hij in de periode van 24 juli 2013 tot en met 21 augustus 2013 op vakantie gaat. Op 20 juli 2013 heeft appellant een Audi A3 met kenteken [kenteken] (Audi) op zijn naam gesteld. De Audi heeft tot 16 november 2013 op naam van appellant gestaan.

1.2.

Bij besluit van 23 december 2013 (besluit 1) heeft het college de bijstand over de periode van 20 juli 2013 tot en met 17 september 2013 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van € 1.719,62 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 1 januari 2014 (besluit 2) heeft het college de vordering op appellant gebruteerd en het terugvorderingsbedrag vastgesteld op € 2.611,05. Bij besluit van 20 februari 2014

(besluit 3) heeft het college appellant een boete opgelegd van € 1.710,-.

1.3.

Bij besluit van 12 mei 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen besluiten 1, 2 en 3 deels gegrond verklaard, in die zin dat de bijstand over de periode van

20 juli 2013 tot en met 28 augustus 2013 wordt herzien (lees: ingetrokken), een bedrag van

€ 1.135,69 wordt teruggevorderd, de vordering op 1 januari 2014 wordt gebruteerd en vastgesteld op € 1.574,40 en een boete van € 1.130,- wordt opgelegd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet te melden dat de Audi op zijn naam is gezet. Vaststaat dat appellant eigenaar is geweest van en de beschikking heeft gehad over de Audi. Het college heeft de waarde van de Audi bij aankoop door appellant vastgesteld op € 7.637,-, waarmee de voor appellant geldende vermogensgrens is overschreden. De positieve bestanddelen van het vermogen worden niet met de door appellant gestelde schulden gesaldeerd, omdat er geen controleerbare en verifieerbare gegevens van deze schulden bekend zijn. Appellant diende in de periode van

20 juli 2013 tot en met 28 augustus 2013 in te teren op het vermogen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of het college de waarde van de Audi terecht tot het vermogen van appellant heeft gerekend.

4.2.

Niet in geschil is dat de Audi van 20 juli 2013 tot 16 november 2013 op naam van appellant heeft gestaan. Appellant heeft de tenaamstelling niet gemeld bij het college en daarmee de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het betoog van appellant dat hij het college door middel van het vakantiemeldingsformulier van 18 juli 2013 op de hoogte heeft gesteld van de aanschaf van de Audi, slaagt niet. Ten tijde van de vakantiemelding was nog geen sprake van een op naam van appellant gestelde auto. Voorts heeft het college in de opmerking van appellant dat hij vanwege de ziekte van zijn oma met spoed naar Marokko moest en dat hij geld moest lenen om een auto te kopen om mee op vakantie naar Marokko te gaan, geen aanleiding hoeven te zien om appellant een

wijzigings- en mutatieformulier toe te zenden. Het was aan appellant om aan te geven wanneer hij een auto wilde aanschaffen en welke waarde de auto had. Appellant heeft ook tussen 20 juli 2013 en 24 juli 2013, de datum van vertrek naar Marokko, de tenaamstelling niet gemeld. Zijn stelling dat hem dat niet kan worden verweten omdat hij in beslag werd genomen door de zorgen over zijn zieke oma, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak

(zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2654) kan van een schending van de inlichtingenverplichting sprake zijn, ook indien de betrokkene niet kan worden aangerekend dat hij de gegevens waarop de inlichtingenverplichting ziet, niet bij het bijstandverlenend orgaan heeft gemeld.

4.3.

Het gegeven dat een kentekenbewijs van een voertuig op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat dit voertuig een bestanddeel vormt van het vermogen waarover een betrokkene beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het tegendeel het geval is.

4.3.1

Appellant heeft aangevoerd dat hij geen eigenaar is geweest van de Audi, maar dat sprake is van een leenconstructie met zekerheidstelling. De Audi was van [naam neef] , een neef van appellant ( [naam neef] ). Appellant heeft met [naam neef] afgesproken dat hij de Audi tegen een vergoeding mocht lenen voor zijn reis naar Marokko met een zekerheidsstelling van € 4.000,-. Omdat appellant niet met een op naam van een derde geregistreerde auto Marokko in mag rijden, heeft appellant met goedvinden van [naam neef] de Audi op zijn naam gesteld. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellant verklaringen van 19 juli 2013 overgelegd van [naam vriend] , een vriend van appellant en van [naam broer] (S), een broer van appellant. Daarin verklaren zij dat zij respectievelijk € 2.000,- en € 3.000,- aan appellant lenen, met als voorwaarde dat appellant als hij terug is uit Marokko de auto meteen verkoopt en het geleende geld aan hen terugbetaalt, waarbij S nog opmerkt dat appellant immers de auto met het geld van S heeft gekocht. Deze verklaringen kunnen niet dienen als onderbouwing van de door appellant gestelde leenconstructie met zekerheidsstelling, nu daarin de leenconstructie niet wordt genoemd, maar juist wordt gesproken over koop en verkoop van de auto door appellant. De stelling dat het op 19 juli 2013 nog de bedoeling was dat appellant de auto zou kopen en dat daarna is besloten tot de leenconstructie, heeft appellant niet met verifieerbare stukken onderbouwd, zodat de Raad daaraan voorbij gaat. Ook overigens heeft appellant geen stukken overgelegd die de leenconstructie onderbouwen.

4.4.

Appellant heeft verder aangevoerd dat uit de in 4.4 genoemde verklaringen blijkt dat hij de auto niet heeft aangeschaft met eigen geld, maar met geleend geld dat hij moet terugbetalen. De voor hem geldende vermogensgrens is daarom niet overschreden. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant niet met concrete, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van leningen. De verklaringen van zijn vriend en broer zijn daartoe onvoldoende. Er zijn bijvoorbeeld geen stukken overgelegd waaruit de geldstromen tussen appellant en zijn broer en tussen appellant en zijn vriend blijken ter zake van de gestelde leningen.

4.5.

De beroepsgrond dat de Audi minder waard is dan door het college is aangenomen, heeft appellant in strijd met de goede procesorde eerst ter zitting naar voren gebracht en wordt daarom buiten bespreking gelaten. Dit geldt eveneens voor de eerst ter zitting naar voren gebrachte beroepsgrond dat het college ten onrechte niet heeft afgezien van het opleggen van een boete.

4.6.

Appellant heeft tegen de brutering geen zelfstandige gronden ingediend.

4.7.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J.L. Meijer

HD