Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3753

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/1181 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en beëindiging bijstand alsnog gemotiveerd in beroep. In auto aangetroffen marihuana. Stortingen hoger dan de norm: afwijzing bijstandsaanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1181 WWB, 15/4496 WWB

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

5 januari 2015, 14/2509 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2016. Namens appellant is mr. Kaya verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 3 augustus 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Op 5 oktober 2013 heeft de politie Oost-Nederland, district Twente, (politie) in de door appellant bestuurde auto 8300 gram marihuana aangetroffen. Naar aanleiding hiervan heeft de Sociale Recherche Twente (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht en op 21 oktober 2013 een gesprek gevoerd met appellant. De resultaten van het onderzoek heeft de sociale recherche neergelegd in een rapport van 21 oktober 2013.

1.3.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 1 november 2013 de bijstand van appellant met ingang van 1 november 2013 te beëindigen en met ingang van 5 oktober 2013 in te trekken.

1.4.

Op 5 december 2013 heeft appellant opnieuw bijstand aangevraagd.

1.5.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellant driemaal verzocht om informatie te leveren. Omdat appellant niet alle gevraagde informatie had verstrekt, heeft het college bij besluit van 17 januari 2014 de aanvraag afgewezen.

1.6.

Bij besluit van 19 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 1 november 2014 en 17 januari 2014 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen opgave te doen van inkomsten uit of in verband met drugshandel. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat de bij appellant in de auto aangetroffen stoffen zijn getest en uit die test is gebleken dat het om marihuana gaat. De verklaring die appellant over de in de auto aangetroffen middelen heeft gegeven, is niet aannemelijk. Verder is onduidelijk hoe appellant in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Onder meer de enorm hoge benzinekosten wijzen op een alternatieve inkomstenbron.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dit ziet op de beëindiging en de intrekking van de bijstand in stand gelaten en het college met betrekking tot de aanvraag opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank samengevat overwogen dat het bestreden besluit ten aanzien van de intrekking en de beëindiging niet toereikend is gemotiveerd, maar dat met de ter zitting door het college gegeven toelichting op de grondslag van die besluiten dat gebrek is hersteld. Uitgegaan kan worden van het proces-verbaal van politie van 7 oktober 2013 waarin staat dat in de auto marihuana is aangetroffen. Dat het om thee ging, is ongeloofwaardig en in tegenspraak met de bevindingen van de politie. Het feit dat appellant nog niet is veroordeeld in de strafrechtelijke procedure is niet van invloed op de beoordeling in deze zaak. Ten aanzien van de aanvraag heeft de rechtbank kort gezegd overwogen dat het college de afwijzing onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 augustus 2014 in stand zijn gelaten.

3.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 16 juni 2015 (nader besluit) het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2014 ongegrond verklaard. Aan het nader besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat, gelet op een storting van € 1.000,- op 30 december 2013 waarvan niet is aangetoond hoe appellant daaraan komt, geen recht bestaat op bijstand over de maand december. Voorts is niet duidelijk hoe appellant in de periode van 1 januari 2014 tot 17 januari 2014 in de kosten van zijn levensonderhoud heeft voorzien. In die periode heeft appellant in het geheel geen opnames gedaan voor de kosten van levensonderhoud.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad zal het nader besluit op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, mede in de beoordeling betrekken.

Intrekking

4.2.

De te beoordelen periode loopt van 5 oktober 2013 tot en met 1 november 2013.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.4.

Blijkens het proces-verbaal van 7 oktober 2013 heeft de politie op 5 oktober 2013 in de door appellant bestuurde auto een aantal tassen aangetroffen met daarin 8300 gram van een op marihuana gelijkende stof. Nadat de politie de stof had getest, bleek van de aanwezigheid van Tetrahydrocannabinol, zijnde de werkzame stof in marihuana. Volgens de richtlijnen van het Nederlands Forensisch Instituut kon in dit geval worden volstaan met vorenbedoelde test. Anders dan appellant heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding om aan de uitkomst van de test te twijfelen. Dat het om medicinale thee ging, zoals appellant stelt later te hebben vernomen, heeft hij op geen enkele wijze nader onderbouwd. Dat de in de auto aangetroffen tassen niet van hem waren, heeft appellant evenmin aannemelijk gemaakt. Nu de tassen in bezit waren van appellant is de veronderstelling gerechtvaardigd dat deze van hem zijn en dat de waarde van de inhoud ervan een bestanddeel vormt van het vermogen waarover appellant daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan appellant om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellant is daarin niet geslaagd. De enkele verklaring van appellant dat hij voor een vriend, wiens naam hij niet wil noemen, een aantal tassen moest wegbrengen, is daartoe niet voldoende. Appellant heeft het college geen duidelijkheid kunnen verschaffen over de waarde van de marihuana en hoe deze in zijn bezit is gekomen. Als gevolg hiervan kan het college het recht op bijstand niet vaststellen.

4.5.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college pas tot intrekking en beëindiging van de bijstand kan overgaan nadat in een strafrechtelijke procedure is komen vast te staan dat hij heeft gehandeld in drugs. Deze beroepsgrond slaagt niet. De bestuursrechter is immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is. Overigens heeft de gemachtigde van appellant ter zitting te kennen gegeven dat appellant in eerste aanleg inmiddels door de strafrechter is veroordeeld tot een taakstraf. Appellant heeft daartegen hoger beroep aangetekend.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

Nader besluit-aanvraag

4.7.

De te beoordelen periode loopt van 5 december 2013 tot en met 17 januari 2014.

4.8.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.9.

Het college heeft op goede gronden de aanvraag om bijstand afgewezen. Niet in geschil is dat op 30 december 2013 een bedrag van € 1.000,- op de rekening van appellant is gestort. Appellant heeft verklaard dat dit bedrag afkomstig is van zijn moeder. Daargelaten dat appellant dit niet heeft onderbouwd, heeft hij kunnen beschikken over dit geld en het kunnen aanwenden voor de kosten van levensonderhoud. Dit bedrag overstijgt de op appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm, zodat over de maand december 2013 in elk geval geen recht bestaat op bijstand. Voor het overige heeft appellant geen inzicht verschaft in hoe hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag en ten tijde van de aanvraag in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. Van belang hierbij is dat de op 30 december 2013 gestorte

€ 1.000,- niet is aangewend voor de kosten van levensonderhoud en dat in de maanden december 2013 en januari 2014 verder geen geldopnames of pintransacties zijn gedaan voor de kosten van het levensonderhoud.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het beroep van appellant tegen het nader besluit ongegrond is.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 juni 2015 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en M. Hillen en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) I.G.A.H. Toma

HD