Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3749

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
14/5955 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:6894, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Verzwegen onroerend goed in Turkije. Deugdelijke taxatie. Verkoop aan broer zonder verkoopprijs strookt niet met tapusenedi. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5955 WWB, 14/5956 WWB

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 september 2014, 14/113 en 14/249 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het dagelijks bestuur van de Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R. Lessy, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lessy. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. B. Bertens. Als tolk van appellant was aanwezig E. Battaloglu.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 23 maart 1998, aanvullend op hun inkomen uit arbeid, bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden. Het dagelijks bestuur heeft tevens bij besluit van 8 januari 2013 aan appellanten een langdurigheidstoeslag toegekend.

1.2.

In het kader van het project “vermogen in het buitenland” hebben een fraude preventiemedewerker en een inkomensconsulent van Baanbrekers (medewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader hebben de medewerkers onder meer dossieronderzoek verricht en advocatenkantoor Gürdal Law Office te [plaatsnaam 2] (Gürdal) verzocht onderzoek te doen naar vermogen van appellanten in Turkije. Gürdal heeft vastgesteld dat bij de Directie Kadaster en Openbare Registers te [plaatsnaam 1] (kadaster) een woning (woning) op naam van appellant staat geregistreerd, die hij op 24 augustus 2012 door aankoop in eigendom heeft verkregen. De waarde van de woning is op 4 april 2013 door een lokale makelaar vastgesteld op 120.000,00 Turkse Lira (TL), wat overeenkomt met € 44.661,13. Gürdal heeft de bevindingen neergelegd in een onderzoeksverslag van 7 april 2013 met bijlagen. De medewerkers hebben appellanten vervolgens om nadere gegevens over de woning gevraagd en appellant op 11 september 2013 gehoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een rapport van 10 oktober 2013.

1.3.

Met ingang van 15 augustus 2013 staat de woning niet meer op naam van appellant maar op naam van zijn broer.

1.4.

De bevindingen van het onderzoek vormden voor het dagelijks bestuur aanleiding om bij besluit van 17 oktober 2013, gehandhaafd bij besluit van 20 december 2013 (bestreden besluit), de bijstand met ingang van 24 augustus 2012 en de bij besluit van 8 januari 2013 toegekende langdurigheidstoeslag in te trekken en de over de periode van 24 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2013 gemaakte kosten van bijstand en langdurigheidstoeslag tot een bedrag van € 4.991,66 terug te vorderen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit, voor zover dit betrekking heeft op de intrekking, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur terecht heeft vastgesteld dat de woning tot 15 augustus 2013 behoorde tot het vermogen van appellant waarover hij kon beschikken, dat het dagelijks bestuur bij de bepaling van de waarde kon uitgaan van de taxatie van de lokale makelaar en dat het vermogen hoger was dan het vrij te laten vermogen. Voor de periode na 15 augustus 2013 hebben appellanten de verkoop van de woning aan de broer van appellant niet inzichtelijk gemaakt en was het recht op bijstand niet vast te stellen, zodat de intrekking zich terecht ook uitstrekt vanaf 15 augustus 2013. De rechtbank heeft het beroep voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd wegens een motiveringsgebrek, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het dagelijks bestuur in het verweerschrift heeft gemotiveerd dat geen sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien en dat de rechtbank van dringende redenen evenmin is gebleken.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen de intrekking ongegrond is verklaard en de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand zijn gelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 24 augustus 2012 tot en met 17 oktober 2013.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Vaststaat dat de woning van 24 augustus 2012 tot 15 augustus 2013 op naam van appellant stond. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat betrokkene daarvan op de hoogte is en dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.3.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat de woning was bestemd voor de broer van appellant, per abuis door hun vader op naam van appellant is gezet en dat appellant daar niet van op de hoogte was. Appellanten hebben deze stellingen echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het standpunt van het dagelijks bestuur, dat de woning van 24 augustus 2012 tot 15 augustus 2013 tot het vermogen van appellant behoorde, dat hij daarover kon beschikken en dat appellanten, door dit vermogen niet te melden bij het dagelijks bestuur, de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17 van de WWB hebben geschonden, stand houdt.

4.4.

Appellanten hebben voorts aangevoerd dat de waarde van de woning van 120.000,00 TL, waar het dagelijks bestuur van uit is gegaan, niet juist is. Daartoe hebben zij verwezen naar een door appellanten in beroep overgelegde prijsvaststelling van 23 december 2013 van makelaar [naam makelaar] . Hierin wordt de woning gewaardeerd op 50.000 TL.

4.4.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het taxatierapport van 4 april 2013 blijkt met welke waardebepalende factoren rekening is gehouden, waaronder de ontwikkeling van het gebied waarin de woning zich bevindt, de gerealiseerde warmte-isolatie, de aanwezigheid van een lift in het gebouw waarin de woning zich bevindt en de ligging van de woning in het gebouw. Hetgeen appellanten daar tegenover hebben gesteld is onvoldoende nu in de prijsvaststelling van 23 december 2013 enkel een waarde is vastgesteld, maar niet wordt vermeld welke factoren bij die vaststelling betrokken zijn. Ook wordt daarin niet duidelijk gemaakt waarom het rapport van 4 april 2013 niet deugdelijk zou zijn. De omstandigheid dat in het rapport van 4 april 2013 de geboortedatum van appellant niet geheel juist is vermeld en dat daarin de bouwdatum niet juist zou zijn weergegeven, doet aan de deugdelijkheid van de taxatie van de waarde op zichzelf geen afbreuk. Daarbij wijst de Raad er nog op dat wat de geboortedatum betreft sprake is van een kennelijke verschrijving. Deze datum is in het rapport van 7 april 2013 wel juist weergegeven.

4.4.2.

Uit 4.3 tot en met 4.4.1 volgt dat het dagelijks bestuur terecht heeft geconcludeerd dat appellanten in de periode van 24 augustus 2012 tot 15 augustus 2013 beschikten over vermogen boven de op hen van toepassing zijnde vrij te laten vermogensgrens.

4.5.

Niet in geschil is dat de woning met ingang van 15 augustus 2013 niet meer op naam van appellant staat geregistreerd. Uit de door appellanten overgelegde stukken blijkt dat appellant de woning op 15 augustus 2013 heeft verkocht aan zijn broer. Appellanten hebben aangevoerd dat zij in verband met de verkoop aan de broer van appellant nimmer gelden hebben ontvangen en ten onrechte is geconcludeerd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellanten hebben ook deze stelling niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Anders dan appellanten betogen volgt uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van het kadaster van 14 oktober 2014, dat geen officiële aandelen en een door een notaris gelegaliseerde verkooptransactie zijn aangetroffen, niet dat appellanten geen gelden in verband met de verkoop van de woning hebben ontvangen. Uit de eveneens door appellanten overgelegde verklaring van het kadaster van 23 december 2013 blijkt immers dat sprake is geweest van een verkoophandeling en in de overgelegde

tapu senedi van de verkoop aan de broer van appellant staat wel een koopsom vermeld. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat appellanten niet inzichtelijk hebben gemaakt dat zij bij de verkoop geen gelden hebben ontvangen, zodat voor de periode na 15 augustus 2013 het recht op bijstand niet is vast te stellen en de intrekking zich terecht ook uitstrekt vanaf die datum.

4.6.

Appellanten hebben aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien, omdat zij in grote financiële problemen verkeren, de huidige situatie veel spanning en stress meebrengt en zij zorg dienen te dragen voor hun drie thuiswonende studerende kinderen.

4.6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Dringende redenen om van terugvordering af te zien kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door appellanten genoemde omstandigheden kunnen niet als iets bijzonders en uitzonderlijks worden aangemerkt. Financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering doen zich in het algemeen pas voor indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij hebben appellanten als schuldenaar de bescherming, of kunnen zij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.7.

Tegen de intrekking en terugvordering van de langdurigheidstoeslag hebben appellanten geen zelfstandige gronden aangevoerd, zodat deze geen bespreking behoeven.

4.8.

Uit hetgeen in 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink als voorzitter en J.L. Boxum en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) L.V. van Donk

HD