Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3745

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
13-10-2016
Zaaknummer
16/426 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank concludeert de Raad dat de door de minister gegeven onderbouwing over het functioneren van appellant voldoende grondslag bieden voor de beloningsbeslissing. Problemen in de communicatieve sfeer stonden al eerder ter discussie. Voor appellant kenbaar. Gestelde animositeit niet gebleken. Geen tekortkomingen in vastlegging functioneringsgesprek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/426 AW

Datum uitspraak: 6 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

2 december 2015, 15/1223 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.C. van Kleef hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Kleef. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.W. Ahlers, drs. J.F. de Vries en T. Hooyenga.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 mei 2005 werkzaam bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, laatstelijk in de functie van [naam functie] bij de [naam instantie] .

1.2.

Op 7 november 2013 heeft de leidinggevende van appellant een functioneringsgesprek gevoerd met appellant over diens functioneren. De leidinggevende heeft kritiek geuit op het gedrag van appellant ten aanzien van zijn persoonlijke effectiviteit en interactie met het team. Indien appellant zijn gedrag niet wijzigt kunnen maatregelen volgen, zoals het niet toekennen van een periodiek. Voorts heeft de leidinggevende op 21 mei 2014 met appellant een zogenoemd personeelsgesprek gevoerd. In dit gesprek heeft de leidinggevende te kennen gegeven dat het gedrag van appellant niet is verbeterd op de in het functioneringsgesprek van 7 november 2013 genoemde aspecten.

1.4.

Bij besluit van 30 juni 2014 heeft de minister aan appellant een periodieke salarisverhoging op grond van artikel 7 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (BBRA) onthouden wegens op gezette tijden onacceptabel gedrag. Bij brief van 25 augustus 2014 heeft de minister het besluit van een nadere motivering voorzien, waarbij is gesteld dat appellante zijn functioneren ten aanzien van de competentie ‘samenbindend leiderschap/aansturen groep’ onvoldoende is, doordat hij zijn emoties onvoldoende weet te beheersen en het gezag van zijn leidinggevende niet accepteert.

1.5.

Bij besluit van 19 januari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 juni 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van het BBRA wordt, voor zover hier van belang, het salaris van een ambtenaar jaarlijks verhoogd tot het in de schaal naasthogere bedrag, indien hij naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate functioneert. Ingevolge het derde lid van dit artikel blijft salarisverhoging achterwege indien de ambtenaar naar het oordeel van het bevoegd gezag niet in voldoende mate functioneert. Het zevende lid van dit artikel bepaalt dat het oordeel van het bevoegd gezag over het functioneren van de ambtenaar tot stand komt op basis van een gesprek als bedoeld in artikel 71 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voorzover het betreft de in het eerste lid van dat artikel onder a en b genoemde onderwerpen, dan wel op basis van een vastgestelde beoordeling als bedoeld in artikel 71a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

4.1.2.

Artikel 71, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement bepaalt dat met de ambtenaar minimaal één keer per jaar door een functionaris, aangewezen door het bevoegd gezag, gesproken wordt over:

a. de wijze waarop de ambtenaar de opgedragen werkzaamheden heeft uitgevoerd en de resultaten die daarbij zijn gehaald;

b. de omstandigheden waaronder de opgedragen werkzaamheden zijn uitgevoerd;

c. welke werkzaamheden de ambtenaar zullen worden opgedragen en welke resultaten daarbij behaald moeten worden;

d. de omstandigheden waaronder die op te dragen werkzaamheden zullen worden uitgevoerd;

e. de wijze waarop de persoonlijke ontwikkeling van de ambtenaar bevorderd kan worden.

In het derde lid van dat artikel is bepaald dat van het met de ambtenaar besprokene een schriftelijk verslag wordt gemaakt.

4.2.

De in het bestreden besluit gehandhaafde beloningsbeslissing ziet op de periode van juli 2013 tot juli 2014.

4.3.

In de verslagen van de met appellant gehouden gesprekken op 7 november 2013 en

21 mei 2014 zijn, onder verwijzing naar gespreksverslagen en andere relevante stukken, diverse concrete voorbeelden gegeven van situaties waarbij appellant erg emotioneel reageert en deze emotie niet onder controle heeft. Dit emotionele gedrag belemmert collega’s in hun functioneren. Ook bevatten de gedingstukken diverse mailwisselingen en gespreksverslagen die voldoende rechtvaardiging bieden voor de conclusie dat appellant in de in geding zijnde periode het gezag van zijn leidinggevende niet wilde accepteren. Het gedrag van appellant is getoetst aan de competenties/gedragskenmerken die behoren bij de functie. De minister heeft daarmee een toereikende onderbouwing gegeven van het negatieve oordeel over het functioneren van appellant.

4.4.

Met de rechtbank concludeert de Raad dat deze overwegingen voldoende grondslag bieden voor de beloningsbeslissing. De Raad acht hierbij van belang dat de problemen in de communicatieve sfeer zich blijkens de stukken niet alleen in de onder 4.2 genoemde periode hebben voorgedaan, maar daarvoor ook reeds ter discussie stonden. Het was dus voor appellant kenbaar waaraan het schortte. Met de rechtbank is de Raad niet gebleken dat de door appellant gestelde animositeit tussen hem en zijn leidinggevende, wat daar ook van zij, een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming. Dat appellant voorheen wel een periodieke salarisverhoging is toegekend doet aan het voorgaande niet af, nu in de besluitvorming genoemde feiten en omstandigheden over de in geding zijnde periode toereikend zijn voor de onderhavige beloningsbeslissing.

4.5.

Anders dan appellant en met de rechtbank ziet de Raad geen dusdanige tekortkomingen in de vastlegging van het functioneringsgesprek van 7 november 2013 en het personeelsgesprek 21 mei 2014, dat deze niet aan het bestreden besluit ten grondslag zouden mogen worden gelegd. De minister heeft voorts niet in strijd gehandeld met de onder 4.1.1 en 4.1.2 genoemde bepalingen.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C. Moustaïne

HD