Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3744

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
16/1203 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Uitsluitingsgrond studerend met studiefinanciering. Onjuiste grondslag nu niet is beoordeeld of app feitelijk kon beginnen op 1 augustus. Gebrek gepasseerd met 6:22. Terugvordering van WSF betekent niet dat app niet in kosten kon voorzien.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 13
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/400
JWWB 2016/239

Uitspraak

16/1203 WWB

Datum uitspraak: 11 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

7 januari 2016, 15/2775 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Overbetuwe (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2016. Namens appellant is verschenen [naam vader] , vader van appellant. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.G.W. Radstaat.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Blijkens een plan van aanpak gericht op zorg is voor de periode 21 maart 2014 tot 1 oktober 2014 een aantal activiteiten met appellant afgesproken, waaronder begeleiding vanuit Iriszorg, coaching gesprekken met de werkcoach en het starten van een opleiding in september 2014. Bij besluit van 18 september 2014 heeft het college de betaling van de bijstand met ingang van 1 september 2014 geblokkeerd omdat appellant per 1 augustus 2014 aanspraak kan maken op studiefinanciering. Appellant is op 22 september 2014 gestart met een MBO-opleiding.

1.2.

Bij besluit van 24 september 2014 heeft het college de bijstand met ingang van

1 augustus 2014 ingetrokken op de grond dat appellant is gaan studeren en voor zijn opleiding aanspraak kan maken op studiefinanciering. Dit besluit is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, van de WWB.

1.3.

Bij besluit van 21 oktober 2014 heeft het college de kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2014 tot en met 31 augustus 2014 tot een bedrag van € 234,88 van appellant teruggevorderd.

1.4.

Bij besluit van 8 december 2014 heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) appellant medegedeeld dat hij over de maanden augustus 2014 en september 2014 geen recht heeft op studiefinanciering, omdat hij in deze periode niet (voltijds) studeerde. De teveel betaalde studiefinanciering tot een bedrag van € 1.354,73 zal worden verrekend met de maandelijkse studiefinanciering.

1.5.

Bij besluit van 9 april 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 24 september 2014 en 21 oktober 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant sinds 22 september 2014 een opleiding volgt en sinds 1 augustus 2014 studiefinanciering ontvangt. Appellant heeft daarom over augustus 2014 en september 2014 geen recht op bijstand. Uit vaste rechtspraak van de Raad volgt dat het enkele feit dat een eerder verstrekte uitkering later wordt teruggevorderd niet als een bijzondere omstandigheid geldt op grond waarvan er alsnog met terugwerkende kracht over dezelfde periode recht op bijstand kan bestaan. Aan de vraag of het appellant valt te verwijten dat hij pas vanaf 22 september 2014 een studie is gaan volgen, als gevolg waarvan het recht op studiefinanciering is komen te vervallen wordt niet toegekomen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de studiefinanciering per 1 augustus 2014 is uitbetaald, maar dat appellant pas per 1 oktober 2014 op zijn opleiding werd aangenomen. Hij heeft daarom de studiefinanciering over augustus en september 2014 moeten terugbetalen. Nu het college ook de bijstand heeft beëindigd heeft appellant gedurende de maanden augustus en september 2014 geheel geen inkomen gehad.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode betreft de maanden augustus 2014 en september 2014

(te beoordelen periode).

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Het college heeft ter zitting bevestigd dat de intrekking van de bijstand in het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, ten eerste, van de WWB. Op grond van die bepaling bestaat geen recht op algemene bijstand voor degene die jonger is dan 27 jaar en uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en in verband daarmee aanspraak heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000.

4.4.

Niet in geschil is dat appellant op 22 september 2014 is begonnen met een

MBO-opleiding en in verband daarmee aanspraak heeft gekregen op studiefinanciering. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 7 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3351) kan de betreffende uitsluitingsgrond van artikel 13 van de WWB alleen van toepassing zijn als de jongere regulier onderwijs kan volgen en is deze uitsluitingsgrond eerst van toepassing vanaf de datum waarop deelname aan dat onderwijs mogelijk is.

4.5.

Het college heeft in dit geval niet beoordeeld of appellant al op 1 augustus 2014 kon beginnen met de opleiding die hij sinds 22 september 2014 volgt, en zo ja, of het later beginnen met de opleiding appellant te verwijten valt. Evenmin heeft het college beoordeeld of appellant in staat was met ingang van 1 augustus 2014 te starten met deze opleiding. Daarbij is van belang dat in het plan van aanpak, dat door het college in samenwerking met appellant is vastgesteld, is opgenomen dat in de periode van 21 maart 2014 tot 1 oktober 2014 gewerkt zal worden aan het starten van een opleiding in september 2014. Voorgaande betekent dat het college niet heeft beoordeeld of appellant per 1 augustus 2014 uit ‘s Rijks kas bekostigd onderwijs kon volgen, zodat het college ten onrechte heeft gesteld dat in de te beoordelen periode de in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder c, ten eerste, van de WWB opgenomen uitsluitingsgrond op appellant van toepassing was. De omstandigheid dat appellant feitelijk per 1 augustus 2014 studiefinanciering heeft ontvangen is hier niet van belang.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat de intrekking van de bijstand niet op een juiste grondslag berust. Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een ontoereikende motivering. De Raad ziet aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren, nu niet aannemelijk is dat appellant door het gebrek in de motivering van het bestreden besluit is benadeeld. Het college heeft namelijk ter zitting van de Raad aangevoerd dat appellant in de te beoordelen periode, ondanks het feit dat hij eerst op

22 september 2014 met zijn opleiding is begonnen, reeds vanaf 1 augustus 2014 studiefinanciering heeft ontvangen tot een bedrag dat hoger is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. Appellant beschikte derhalve over voldoende middelen om te voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Zoals de Raad vaker heeft overwogen (zie de uitspraak van 16 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4668), doet daaraan niet af dat DUO achteraf heeft vastgesteld dat appellant geen recht had op studiefinanciering en de uitgekeerde bedragen als schuld heeft geboekt en verrekend met de maandelijkse nog te betalen studiefinanciering. Appellant had daarom, gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWB in de te beoordelen periode geen recht op algemene bijstand. Het college heeft de kosten van de ten onrechte verleende bijstand terecht teruggevorderd.

4.7.

Uit 4.5 en 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden, omdat de rechtbank geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2016.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) J.L. Meijer

HD