Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3742

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
14-10-2016
Zaaknummer
15/8348 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Motivering op het punt van de matching niet ontoereikend. De korpschef mag in beginsel verwijzen naar de transponeringstabel. Voor het kader en de regelgeving verwijst de Raad naar zijn uitspraken ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/8348 AW

Datum uitspraak: 6 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

12 november 2015, 14/2377 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. V. de Kruijf-Stellaard en mr. N.E. Bensoussan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

Bij besluit van 24 oktober 2011 is de uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) voor de periode van

31 december 2009 tot en met 31 maart 2011 vastgesteld op de functie van Arrestantenverzorger. Bij besluit van 10 april 2012 is aan appellant meegedeeld dat uit inventarisatie is gebleken dat op de peildatum 31 december 2011 geen sprake was van taakaccenten en dat besloten is de uitgangspositie van appellant niet aan te vullen. Appellant heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 20 september 2012 is appellant met ingang van 4 september 2012 benoemd in de functie van Medewerker Tactische Opsporing (salarisschaal 6). Ook tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.4.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant per de peildatum

31 december 2011 besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie

Assistent Beveiliging B (salarisschaal 5). Omdat er na 31 december 2011 nog een formele wijziging is geweest, is tevens een wijzigingsbesluit LFNP (wijzigingsbesluit) genomen, inhoudende dat de door appellant per 4 september 2012 uitgeoefende functie van Medewerker Tactische Opsporing op basis van artikel 6, tweede lid, van het Besluit bezoldiging politie conform de transponeringstabel met ingang van die datum wordt gewijzigd in de functie van Medewerker Intake & Service, met bijbehorende salarisschaal 6. Het bezwaar tegen dit wijzigingsbesluit is bij besluit van 6 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover nu nog van belang, overwogen dat de transponeringstabel geen algemeen verbindend voorschrift is en dat het bestreden besluit in zoverre ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit motiveringsgebrek heeft de rechtbank gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Verder is overwogen dat aan de transponeringstabel, mede op grond van de waarborgen waarmee de totstandkoming ervan is omgeven, een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht. Volgens de rechtbank blijkt uit de beschrijving van de korpsfunctie Medewerker Tactische Opsporing dat bij die functie geen sprake is van het volledig zelfstandig uitoefenen van tactisch opsporingsonderzoek, zoals minimaal is vereist voor de indeling in het vakgebied Tactische Opsporing. Appellant draagt hier weliswaar aan bij, maar maakt geen zelfstandige keuzes en draagt ook geen eigen verantwoordelijkheden. Zijn werkzaamheden zijn volgens de rechtbank meer ondersteunend van aard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft de Raad geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten. Verder is geoordeeld dat de transponeringstabel, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde. Daarbij mag de korpschef in beginsel volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.

4.2.

Appellant heeft aangevoerd dat de matching niet conform de Regeling geschied is dan wel dat het resultaat anderszins onhoudbaar is. Volgens appellant behoort het tot zijn korpsfunctie Medewerker Tactische Opsporing om zelfstandig eenvoudige tactische opsporingsonderzoeken uit te voeren, zodat indeling in het vakgebied Tactische Opsporing aan de orde is. Hij heeft in dit verband verwezen naar een passage uit de Handleiding Uitvoering matching 2013 (Handleiding). Volgens appellant had hem de LFNP-functie Medewerker Tactische Opsporing moeten worden toegekend.

4.3.

Met dit betoog heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Zoals onder 4.1 al is overwogen is de enkele stelling dat een andere uitkomst van de matching ook verdedigbaar zou zijn geweest niet voldoende voor die conclusie. De korpschef heeft naar voren gebracht dat gezien de aard van de werkzaamheden die voorkomen in de korpsfunctie Medewerker Tactische Opsporing, indeling in het vakgebied Intake & Service aan de orde is. De functie is in essentie een ondersteunende functie met een administratief karakter. Van het zelfstandig uitvoeren van tactisch opsporingsonderzoek met een routinematig karakter zoals dat aan de orde is in de LFNP-functie Medewerker Tactische Opsporing, is volgens de korpschef geen sprake. De Raad volgt de korpschef in zijn standpunt dat de toekenning van de LFNP-functie Medewerker Intake & Service niet onhoudbaar kan worden geacht. Daarbij wordt er nog op gewezen dat uit de paragraaf van de Handleiding waaruit appellant een deel heeft geciteerd (‘Administratief rechercheurs en rechercheassistenten’, pagina 44 en 45), kan worden afgeleid dat korpsfuncties die ondersteunend aan de opsporing zijn, waarbij die ondersteuning een overwegend administratief karakter heeft, moeten worden ingedeeld binnen het vakgebied Intake & Service.

4.4.

Anders dan appellant en met de korpschef acht de Raad de in het bestreden besluit gegeven motivering op het punt van de matching niet ontoereikend. De korpschef is in het bestreden besluit ingegaan op de uitgangspositie van appellant en heeft, onder verwijzing naar de matchingssystematiek, uiteengezet welk LFNP-vakgebied het meest vergelijkbaar is, aan de hand van de Regeling en de transponeringstabel. Verder is gewezen op het belang van de Handleiding, waarin de motivering voor de keuze van het vakgebied is neergelegd. Daarmee is wel degelijk, zij het summier, gemotiveerd waarom het resultaat van de matching overeenkomstig de Regeling is geschied en niet anderszins onhoudbaar is te achten. Weliswaar had de motivering op dit punt wat meer op de persoon van appellant toegesneden kunnen worden, maar van een motiveringsgebrek op dit punt kan niet worden gesproken, juist nu de korpschef voor besluitvorming als hier aan de orde is, in beginsel mag verwijzen naar de transponeringstabel.

4.5.

Appellant heeft verder verzocht om veroordeling van de korpschef in de proceskosten. Daarbij heeft hij naar voren gebracht dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd, omdat daarin de transponeringstabel als een algemeen verbindend voorschrift is aangemerkt. Nu hij tegen deze dragende overweging in de besluitvorming terecht is opgekomen en heeft moeten procederen om tot een deugdelijke motivering te komen, maakt hij aanspraak op vergoeding van proceskosten. Dit is hem door de rechtbank ten onrechte onthouden, aldus appellant.

4.6.

Dit betoog slaagt niet. Daarbij wordt verwezen naar de uitspraak van 24 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4803. Voor een veroordeling in de proceskosten in beroep bestaat dan ook geen aanleiding. Dit geldt ook voor de proceskosten in hoger beroep. In het verlengde hiervan bestaat evenmin aanleiding om, zoals is verzocht, te bepalen dat de korpschef het betaalde griffierecht vergoedt.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) A. Stuut

HD