Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3728

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
24-10-2016
Zaaknummer
16/1249 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om de waarde van 847 compensatie-uren, gespaard in de jaren 2002 tot en met 2006, toe te voegen aan de levenslooptegoed van appellant als bedoeld in de Levensloopregeling rijkspersoneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/382

Uitspraak

16/1249 AW

Datum uitspraak: 6 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

25 januari 2016, 15/4504 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de staatssecretaris de Raad stukken doen toekomen.

De meervoudige kamer heeft het hoger beroep doorverwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dijkgraaf. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.W. Top.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam bij de Belastingdienst, laatstelijk in de functie van Behandelfunctionaris bij Kantoor MKB.

1.2.

In verband met zijn FPU-ontslag per 1 oktober 2014 heeft appellant bij brief van 30 juli 2014 de staatssecretaris verzocht om de waarde van 847 compensatie-uren, gespaard in de jaren 2002 tot en met 2006, toe te voegen aan zijn levenslooptegoed als bedoeld in de Levensloopregeling rijkspersoneel.

1.3.

Op 1 oktober 2014 heeft de staatssecretaris appellant op zijn verzoek FPU-ontslag verleend.

1.4.

Bij besluit van 2 december 2014 heeft de staatssecretaris het verzoek van appellant om de waarde van de compensatie-uren aan zijn levenslooptegoed toe te voegen afgewezen.

1.5.

Bij besluit van 20 mei 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 december 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft de staatssecretaris ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging dat de 847 opgebouwde compensatie-uren konden worden toegevoegd aan het levenslooptegoed. De staatssecretaris heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de waarde van de gespaarde compensatie die aan het levenslooptegoed kan worden toegevoegd begrensd is. De waarde mag met de in dat jaar gespaarde voorziening in geld niet meer dan 12 procent van het bruto jaarloon bedragen. Omdat deze 12 procent niet ziet op een ruimere periode kan appellant slechts die uren aan zijn levenslooptegoed toevoegen die samen met de in 2014 gespaarde voorziening in geld ten hoogste 12 procent van het bruto jaarloon bedragen. Gelet op de reeds gespaarde voorziening kan appellant in 2014 nog maximaal 41 compensatie-uren aan het levenslooptegoed toevoegen. Tot slot heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van appellant niet zag op uitbetaling van de compensatie-uren en voorts blijft hij van mening dat het idee van uitbetaling van de compensatie-uren wezensvreemd is aan het karakter van deze uren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de invoering van de 36-urige werkweek werd met de sociale partners afgesproken dat het werkrooster ook na 1 januari 1997 gebaseerd kon blijven op een werkrooster van 40 uur. Per die datum bestaat op grond van de van toepassing zijnde rechtspositionele bepalingen uit het op het Algemeen rijksambtenarenreglement berustende Besluit van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 1996, nr. AD96/U1026 (Besluit) en het Reglement Personeelsvoorschriften Belastingdienst aanspraak op compensatie in vrije dagen van teveel ingeroosterde werktijd. Op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit kan de compensatie worden opgenomen binnen een tijdvak van een jaar of over een periode van zeven jaren worden opgespaard waarna de gespaarde dagen aaneengesloten worden opgenomen.

4.2.

Met ingang van 1 april 2003 is de Verlofspaarregeling rijkspersoneel in werking getreden (Stcrt. 25 maart 2003, nr. 59) (Verlofspaarregeling), met terugwerkende kracht tot 1 januari 2003. Met ingang van de datum waarop die regeling in werking is getreden kon niet meer worden begonnen met het sparen van compensatie op grond van het Besluit. In hoofdstuk 6 van de Verlofspaarregeling is een overgangsregeling getroffen voor de ambtenaar die op de datum van inwerkingtreding van deze regeling reeds compensatie heeft gespaard op grond van het Besluit. Geregeld is dat deze ambtenaar tot 1 januari 2007 kan blijven doorsparen en de gespaarde compensatie op of na die datum aaneengesloten kan opnemen.

4.3.

Appellant heeft in de jaren 2002 tot en met 2006 van voornoemde regelingen

gebruikgemaakt, in die zin dat hij een aanspraak op compensatie in vrije dagen heeft gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit in een omvang van 847 uur.

4.4.

Met ingang van 1 januari 2006 is de Levensloopregeling rijkspersoneel van kracht geworden (Stcrt. 15 november 2005, nr. 222) (Levensloopregeling). Omdat vanaf 1 januari 2006 uitsluitend voor levensloopverlof gespaard mag worden op grond van de Levensloopregeling, zijn het Besluit en de Verlofspaarregeling met ingang van die datum ingetrokken. In hoofdstuk 7 van de Levensloopregeling is een overgangsregeling getroffen voor de ambtenaar die op grond van het Besluit compensatie in vrije dagen heeft gespaard. Op grond van artikel 7.1.1 van de Levensloopregeling kan de ambtenaar ervoor kiezen om zijn tot 1 januari 2006 onder het Besluit opgebouwde aanspraken in vrije tijd niet om te laten zetten in aanspraken ingevolge de Levensloopregeling en blijft op die aanspraken het Besluit zoals dat luidde op 31 december 2005 van toepassing. Voorts kan de ambtenaar op verzoek de waarde van de gespaarde compensatie in vrije dagen toe laten voegen aan het levenslooptegoed.

4.5.

Gelet op de inhoud van het bestreden besluit en hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd staat de Raad voor de vraag of de staatssecretaris, gelet op het door appellant op

1 oktober 2014 gedane verzoek, op grond van de Levensloopregeling gehouden was de waarde van de op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit totale gespaarde compensatie in vrije dagen toe te voegen aan het levenslooptegoed.

4.6.

Gelet op artikel 2.1.1 van de Levensloopregeling kan de ambtenaar eenmaal per jaar bij het bevoegd gezag een aanvraag indienen om uit een of meerdere bronnen als genoemd in artikel 2.1.3, een voorziening in geld te sparen voor een levensloopverlofperiode. Uit artikel 2.1.3 volgt dat er kan worden gespaard uit het salaris, de vakantie-uitkering, de vergoeding voor meer te werken uren als bedoeld in artikel 3 van de IKAP-regeling rijkspersoneel en de vergoeding van vakantie-uren.

4.7.

Uit artikel 2.1.2, eerste lid, van de Levensloopregeling volgt dat de per kalenderjaar te sparen voorziening in geld voor levensloopverlof ten hoogste 12 procent bedraagt van het loon over dat jaar.

4.8.1.

Artikel 2.1.4, eerste lid en onder g, van de Levensloopregeling bepaalt dat de in

artikel 2.1.1 bedoelde aanvraag elk jaar opnieuw wordt ingediend en een verklaring van de ambtenaar bevat waaruit blijkt of hij compensatie in vrije dagen heeft gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit en wat de omvang daarvan is.

4.8.2.

Uit de toelichting bij dit artikel blijkt dat het cruciaal is dat de ambtenaar in zijn aanvraag vermeldt of sprake is van gespaarde compensatie in vrije dagen, omdat dit tegoed meetelt bij de beoordeling of nog kan worden doorgespaard. Voorts is toegelicht dat de ambtenaar de vrijheid heeft om zelf te kiezen wanneer hij zijn aanvraag indient, zolang deze, gelet op de in te zetten bron(nen), maar binnen het gekozen kalenderjaar kan worden uitgevoerd.

4.9.1.

Ingevolge artikel 2.1.5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Levensloopregeling kent het bevoegd gezag de in artikel 2.1.1 bedoelde aanvraag toe, binnen 30 dagen na de datum waarop deze is ontvangen, tenzij het levenslooptegoed vermeerderd met de waarde van de totale compensatie in vrije dagen die tot 1 januari 2006 is gespaard op grond van artikel 1, tweede lid, derde volzin, van het Besluit.

4.9.2.

Volgens de toelichting bij artikel 2.1.5 van de Levensloopregeling wordt de aanvraag afgewezen als het levenslooptegoed uit de ambtelijke functie, samen met die elementen op

1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard, gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het loon over het voorafgaande kalenderjaar. Als er op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard nog ruimte aanwezig is om door te sparen kan tot maximaal 12 procent van het loon over dat jaar worden gespaard ook al wordt daardoor in dat jaar het maximaal toegestane levenslooptegoed overschreden. Van een eenmaal toegekende aanvraag kan door de ambtenaar niet meer worden teruggekomen.

4.10.

Artikel 7.1.1, tweede lid, van de Levensloopregeling bepaalt dat de waarde van de gespaarde compensatie in vrije dagen op verzoek van de ambtenaar kan worden toegevoegd aan het levenslooptegoed, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet. In het derde lid van dat artikel is bepaald dat de waarde van de gespaarde compensatie in vrije dagen, bedoeld in het tweede lid, wordt berekend op basis van het salaris per uur dat de ambtenaar geniet op de eerste dag van de maand waarin het in het tweede lid bedoelde verzoek is ontvangen.

4.11.

Uit de jaarlijkse aanvragen voor deelname aan de Levensloopregeling blijkt dat appellant steeds heeft verzocht om te sparen uit de vergoeding voor meer te werken uren als bedoeld in artikel 3 van de IKAP-regeling rijkspersoneel en de vergoeding van vakantie-uren. Appellant heeft niet tevens verzocht om toevoeging van de waarde van de gespaarde compensatie in vrije dagen aan het levenslooptegoed. Eerst bij brief van 30 juli 2014 heeft appellant de staatssecretaris alsnog verzocht om de waarde van de totale compensatie in vrije dagen, zijnde 847 compensatie-uren, toe te voegen aan zijn reeds opgebouwde levenslooptegoed.

4.12.

Gelet op artikel 2.1.5, eerste lid, van de Levensloopregeling en de daarbij behorende toelichting kon als er op 1 januari van het kalenderjaar waarin de voorziening in geld voor levensloopverlof zal worden gespaard, in dit geval op 1 januari 2014, nog ruimte aanwezig was om door te sparen omdat het maximale toegestane levenslooptegoed nog niet was bereikt, tot maximaal 12 procent van het (bruto)loon over dat jaar worden gespaard. In het kalenderjaar 2014 heeft appellant reeds uit één of meerdere bronnen gespaard en hebben er twee stortingen plaatsgevonden ten behoeve van zijn levenslooptegoed. Dit betekent dat de staatssecretaris terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant in 2014 slechts de waarde van de compensatie in vrije dagen als bedoeld in artikel 7.1.1 aan zijn levenslooptegoed kon toevoegen voor zover deze waarde samen met de reeds gespaarde voorziening in geld niet de 12 procent van het (bruto)loon over dat jaar zou overstijgen. Derhalve kon appellant de waarde van de gespaarde compensatie in vrije dagen tot een omvang van 41 uur aan zijn levenslooptegoed laten toevoegen.

4.13.

Voor zover appellant meent dat het restant aan gespaarde compensatie in vrije dagen alsnog toegevoegd kan worden aan het levenslooptegoed van de aan 2014 voorafgaande kalenderjaren, kan de Raad dit standpunt niet volgen. Uit artikel 2.1.1 van de Levensloopregeling, gelezen in samenhang met artikel 2.1.4 en de daarbij behorende toelichting, volgt dat de ambtenaar slechts eenmaal per kalenderjaar een aanvraag kan indienen en dat hij vrij is om zelf te kiezen wanneer hij zijn aanvraag indient, zolang deze maar binnen het gekozen kalenderjaar kan worden uitgevoerd. Nu appellant in de aan 2014 voorafgaande kalenderjaren reeds aanvragen heeft ingediend voor deelname aan de Levensloopregeling en deze aanvragen ook zijn ingewilligd, kan hij niet wederom een aanvraag voor die jaren indienen teneinde de mogelijk nog bestaande financiële ruimte te benutten tot maximaal 12 procent van het (bruto)loon over die kalenderjaren. Zulks volgt ook uit de toelichting bij artikel 2.1.5 van de Levensloopregeling, waarin is gesteld dat van een eenmaal toegekende aanvraag door de ambtenaar niet meer kan worden teruggekomen.

5. Voor zover appellant heeft willen stellen dat zijn verzoek eveneens heeft omvat een verzoek tot uitbetaling van (het restant van) de opgebouwde aanspraken op compensatie in vrije dagen, is de Raad van oordeel dat nu deze aanspraken niet zijn omgezet in aanspraken ingevolge de Levensloopregeling, op grond van artikel 7.1.1, eerste lid, van de Levensloopregeling, het Besluit zoals dat luidde op 31 december 2005 van toepassing blijft. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen biedt dit Besluit, behoudens in het geval van overlijden van de ambtenaar, geen grondslag voor uitbetaling van de waarde van de compensatie in vrije dagen.

6. Het betoog van appellant dat bij hem de verwachting is gewekt dat hij de totale waarde van de gespaarde compensatie in vrije dagen aan het levenslooptegoed mocht toevoegen, slaagt niet. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Ook in het geval dat de door de plaatsvervangend directeur MKB aan appellant gedane mededeling dat hij de waarde van zijn gespaarde compensatie in vrije dagen aan het levenslooptegoed kon toevoegen te zien zou zijn als een uitdrukkelijke, onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige toezegging - wat daar ook van zij - daar is van gewekte verwachtingen waaraan appellant het vertrouwen mocht ontlenen dat de waarde van al zijn gespaarde compensatie in vrije dagen (alsnog) aan zijn levenslooptegoed zouden worden toegevoegd geen sprake. Daarbij acht de Raad van belang dat aan appellant reeds voor ‘de toezegging’, zowel mondeling als per e-mail, was medegedeeld dat zijn verzoek niet gehonoreerd zou worden. Voorts is er na ‘de toezegging’ een gesprek met appellant gevoerd waarbij is uitgelegd dat sprake is van twee tegenstrijdige adviezen en hoe deze tot stand zijn gekomen en is hem medegedeeld dat de waarde van zijn gespaarde compensatie in vrije dagen niet toegevoegd konden worden aan het levenslooptegoed en hij daarover een definitief besluit zal ontvangen. Hiermee heeft de staatssecretaris voldoende actie ondernomen om afstand te nemen van de toezegging en had appellant moeten begrijpen dat de toezegging niet juist kan zijn geweest.

7. Appellant heeft aangevoerd dat hij ten onrechte door de staatssecretaris niet is geïnformeerd over de financiële gevolgen indien hij niet tijdig zijn gespaarde compensatie in vrije dagen zou toevoegen aan zijn levenslooptegoed dan wel deze dagen zou opnemen. Volgens appellant is dit in strijd met het goed werkgeverschap en heeft hij om die reden recht op een vorm van financiële compensatie. Het betoog van appellant slaagt niet. Uit de door appellant ingevulde aanvraagformulieren voor deelname aan de Levensloopregeling blijkt dat hij bekend was met de regelingen en ervan op de hoogte was dat hij aanspraak had op gespaarde compensatie in vrije dagen op grond van het Besluit en dat de omvang daarvan 847 uur was. Hij heeft daarbij te kennen gegeven dat hij deze uren opneemt op, bij of na het bereiken van de 62-jarige leeftijd. Appellant heeft er derhalve bewust voor gekozen om niet jaarlijks de waarde van zijn gespaarde compensatie in vrije dagen toe te voegen aan zijn levenslooptegoed. Voorts heeft appellant ervoor gekozen om niet vervroegd uit te treden op 62-jarige leeftijd. Op dat moment lag het op zijn weg om te informeren welke mogelijkheden hij nog had om zijn gespaarde compensatie-uren te “verzilveren”. Daarvoor was reden temeer nadat hij bij zijn beoordelingsgesprek in 2012 er op was gewezen dat hij nog een grote hoeveelheid compensatie-uren had staan.

8. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C. Moustaïne

HD