Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3724

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
14/6573 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. App huurder van twee woningen. Beschikte naast bijstand over middelen om huur te voldoen. Schending inlichtingenplicht, recht niet vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 31
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/396

Uitspraak

14/6573 WWB

Datum uitspraak: 4 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

22 oktober 2014, 13/1146 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J.L.M. Dacier, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dacier. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R.J.F.H. Weerts.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 2 juni 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst dat appellant naast zijn eigen woning nog een woning aan de [adres] te [woonplaats] (woning) huurt en dat uit een voorlopige kasopstelling van de belastingdienst blijkt dat de uitgaven van appellant over 2010 en 2011 mogelijk hoger waren dan zijn inkomsten, heeft de afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken, Sociale Recherche, van de gemeente Heerlen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft een sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan en appellant op 12 juni 2012 gehoord. Appellant heeft verklaard dat niet hij maar [naam ex-partner] (Z), zijn ex-partner, de woning huurt. Naar aanleiding van het gehoor heeft de sociaal rechercheur appellant bij brief van 14 juni 2012 verzocht betalingsbewijzen te verstrekken van de voor de woning verschuldigde huur over de periode van 1 januari 2010 tot 14 juni 2012. Appellant diende zowel bewijsstukken te verstrekken van de betalingen door Z aan appellant, als van stortingen bij de bank waaruit blijkt dat dit de huur betreft. Op 20 juni 2012 heeft appellant een aantal gegevens verstrekt. Appellant heeft op 29 juni 2012 nadere gegevens verstrekt, waaronder een verklaring van Z van dezelfde datum. Omdat de gegevens niet compleet waren heeft de sociaal rechercheur bij brief van 3 juli 2012 aan appellant verzocht om betalingsbewijzen te verstrekken van de huur voor de woning voor de ontbrekende maanden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 oktober 2012.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

16 oktober 2012 de bijstand met ingang van 1 januari 2010 in te trekken en de over de periode van 1 januari 2010 tot 1 augustus 2012 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 27.516,99 bruto (1 januari 2010 tot 1 januari 2012) en € 6.778,38 netto (1 januari 2012 tot 1 augustus 2012) van appellant terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 11 maart 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2012 ongegrond verklaard en de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken vastgesteld op 1 januari 2010 tot 3 oktober 2012 (periode in geding). Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant naast zijn eigen woning per 1 januari 2010 een huurcontract heeft getekend met [naam C] (C) voor de woning. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat niet hij maar Z de woning huurde. Ook heeft appellant verklaard dat hij honderd gram wiet per week rookte. Het moet ervoor worden gehouden dat appellant in de periode in geding beschikte over middelen om zowel zijn drugsgebruik als de huur van de woning te kunnen bekostigen. Appellant heeft hiervan geen melding gemaakt bij het college zodat hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.2.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat appellant in de periode in geding de woning huurde. De huurovereenkomst voor de woning, die inging op 1 januari 2010 met een kale huur van € 550,- per maand, stond in de periode in geding op naam van appellant en is door hem en C ondertekend. Het lag daarom op de weg van appellant om aannemelijk te maken dat, in afwijking van de huurovereenkomst, Z de huurster van de woning was. Appellant is niet in deze bewijslast geslaagd. Hiertoe is het volgende van belang.

4.2.1.

De stelling dat appellant de huurovereenkomst ten behoeve van Z heeft ondertekend, omdat Z op dat moment in Hongarije verbleef en C in verband met een opgave bij de Belastingdienst niet met de ondertekening kon wachten, heeft appellant niet met verifieerbare stukken onderbouwd, zodat de Raad daaraan voorbijgaat. Daarbij wordt opgemerkt dat de huurovereenkomst na terugkeer van Z in Nederland niet alsnog op naam van Z is gezet.

4.2.2.

Uit de door appellant verstrekte bankafschriften van de rekening van C en de overgelegde stortingsbewijzen blijkt dat Z in 2010 twee stortingen en in 2012 zeven stortingen heeft gedaan op de rekening van C, bij zeven van de negen onder vermelding van “huur” en de desbetreffende maand, eenmaal onder vermelding van “gedeelde huur” en eenmaal onder vermelding van “huur april restant”. Hieruit volgt dat aan het gestelde in de verklaring van Z van 29 juni 2012, dat zij de huur van de woning al dertig maanden betaalt via appellant omdat zij tijdens de openingstijden van de bank werkt, niet de waarde toekomt die appellant daaraan gehecht wenst te zien. Appellant heeft verder niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd dat Z de huur aan appellant betaalde. Uit de enkele omstandigheid dat Z de eerder vermelde stortingen op de bankrekening van C heeft gedaan blijkt ook niet dat Z de woning heeft gehuurd. Hiervoor is van belang dat appellant volgens de bankafschriften van C in de periode van 29 maart 2011 tot en met 28 februari 2012 zelf twaalf keer een bedrag heeft gestort op de rekening van C onder vermelding van “huur” en de desbetreffende maand, hij over 2010, op de twee door Z gestorte bedragen na, geen bewijzen van betalingen aan C heeft overgelegd en uit de bankafschriften van C niet blijkt dat de stortingen van Z betrekking hadden op de woning. Verder heeft appellant geen verklaring kunnen geven voor de omstandigheid dat bij een aantal stortingen een ander bedrag dan de huurprijs van € 550,- is betaald, terwijl hij tegenover de sociaal rechercheur heeft verklaard dat de huurprijs € 550,- “all in” bedroeg.

4.2.3.

Verder heeft appellant in het gehoor op 12 juni 2012 verklaard dat hijzelf ook af en toe in de woning heeft gewoond en dat zijn twee honden meestal in de woning verblijven, afhankelijk van waar appellant is, wat niet overeenkomt met de door hem in deze procedure geschetste situatie met betrekking tot de huur van de woning. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de woning in de periode in geding huurde. Nu de in 4.2 vermelde onderzoeksbevindingen al toereikend zijn voor de onderbouwing van dat standpunt, kan de beroepsgrond dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen van C en Z niet slagen. De rechtbank heeft onder rechtsoverweging 10 in de aangevallen uitspraak voorts, anders dan appellant heeft aangevoerd, voldoende gemotiveerd op grond waarvan zij van oordeel was dat geen aanleiding bestond C en Z als getuigen ter zitting op te roepen.

4.4.

Nu appellant de woning huurde naast zijn eigen woning en appellant de verplichting tot betaling van de huur is aangegaan terwijl de bijstand daartoe in beginsel niet toereikend is, moet het ervoor worden gehouden dat appellant in de periode in geding beschikte over middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB om de huur te kunnen voldoen. Appellant heeft hiervan geen melding bij het college gemaakt, zodat hij de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige, dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Door te ontkennen dat hij de woning huurde en daarmee te betwisten dat hij beschikte over middelen, heeft appellant geen inzicht gegeven in de aard en omvang van de middelen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.6.

Gelet op 4.5 behoeven de beroepsgronden die zien op het wietgebruik van appellant geen bespreking.

4.7.

Tegen de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en

J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD