Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3709

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
18-10-2016
Zaaknummer
15/94 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken, terugvorderen en boete. Stortingen op bankrekening. Bijstand is geen arbeidsbeloning indien voorziening in kader re-integratie is opgelegd. Bij boete wordt niet meegenomen dat appellant aan arbeidsverplichting heeft voldaan.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 18a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/397

Uitspraak

15/94 WWB, 16/731 WWB, 16/4319 WWB

Datum uitspraak: 4 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Oost-Brabant van

26 november 2014, 14/1981 (aangevallen uitspraak 1) en 15 december 2015, 15/1681 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Nass, advocaat, hoger beroepen ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft verweerschriften en in de zaak 16/731 WWB nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2016. Voor appellant is mr. Nass verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 16 februari 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft het Inkomensteam Noord van de gemeente Eindhoven onder meer administratief onderzoek verricht en appellant bij brief van 8 juli 2013 verzocht een aantal gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften van alle op zijn naam staande bankrekeningen vanaf 8 april 2013 tot 8 juli 2013. Bij besluit van 19 juli 2013, opnieuw aan appellant verzonden op 22 juli 2013, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 15 juli 2013 opgeschort en appellant nogmaals verzocht de gevraagde gegevens te verstrekken, deze keer uiterlijk op 5 augustus 2013. Appellant heeft bankafschriften ingeleverd. Bij brief van 18 september 2013 heeft het college appellant verzocht aanvullende gegevens te verstrekken en een verklaring door middel van deugdelijke en verifieerbare gegevens te geven voor een zestal - in de bijlage gespecificeerde - stortingen die op de ingeleverde bankafschriften te zien zijn. Appellant heeft daarop niet gereageerd. Bij besluit van 30 september 2013 heeft het college vervolgens de bijstand van appellant opgeschort met ingang van 26 september 2013. Daarbij heeft het college appellant verzocht de in de brief van 18 september 2013 gevraagde gegevens en verklaring voor de stortingen alsnog te verstrekken voor 15 oktober 2013. Appellant heeft het college op 11 oktober 2013 bericht dat hij het geld voor de stortingen heeft opgenomen van zijn andere bankrekening. Bij besluit van 15 oktober 2013 heeft het college, onder opschorting van de bijstand met ingang van 15 oktober 2013, appellant opnieuw verzocht de in de brief van 30 september 2013 gevraagde aanvullende gegevens en een deugdelijke en verifieerbare verklaring voor de stortingen te verstrekken. Daarbij heeft het college appellant erop gewezen dat het niet verstrekken van de gevraagde informatie ertoe kan leiden dat de bijstand wordt beëindigd. Van het onderzoek is een rapport opgemaakt op 5 november 2013.

1.3.

Het college heeft vervolgens bij besluit van 1 november 2013 (besluit 1) de bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 15 oktober 2013 ingetrokken op de grond dat appellant niet alle in dat besluit vermelde informatie heeft verstrekt.

1.4.

Bij besluit van 12 november 2013 (besluit 2) heeft het college vervolgens met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB de bijstand van appellant over de periode van

1 februari 2013 tot 1 april 2013 herzien met dien verstande dat de stortingen op

28 februari 2013 en 31 maart 2013 op de bankrekening bij de ABN AMRO met

nummer [rekeningnummer A] (rekening [nummer A] ) van appellant van respectievelijk € 610,- en € 550,- daarop in mindering worden gebracht en de bijstand van appellant over de periode vanaf

8 april 2013 ingetrokken. Het college heeft daarbij de teveel betaalde bijstand over de periode van 8 april 2013 tot en met 30 september 2013 tot een bedrag van € 6.314, [nummer B] van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende deugdelijke en verifieerbare gegevens heeft verstrekt over de stortingen op

28 februari 2013 en op (lees) 21 maart 2013 en voorts niet al zijn bankafschriften over de periode van 8 april 2013 tot en met 30 september 2013 heeft overgelegd, waardoor hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.5.

Bij besluit van 2 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen besluit 2 ongegrond verklaard.

1.6.

Bij besluit van 18 december 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college appellant vervolgens een boete opgelegd van

€ 1.017,85 wegens schending van de inlichtingenverplichting omdat hij geen bewijsstukken van de herkomst van de contante geldstortingen heeft overgelegd en niet alle afschriften van zijn Marokkaanse bankrekening heeft overgelegd. Het college is er daarbij van uitgegaan dat de schending van de inlichtingenverplichting appellant verminderd verwijtbaar is.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3.2.

Het college heeft bij nader besluit van 11 maart 2016 (nader besluit) bestreden besluit 2 herzien en de boete vastgesteld op € 440,-.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Zaak 15/94 WWB

4.1.

Ter zitting heeft appellant het hoger beroep betreffende bestreden besluit 1 ingetrokken voor zover dat ziet op de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen besluit 1.

Herziening, intrekking en terugvordering

4.2.

De te beoordelen periode loopt voor zover het de herziening van de bijstand betreft van

1 februari tot en met 31 maart 2013 en voor zover het de intrekking betreft over de periode van 8 april 2013 tot (gelet op besluit 1) 15 oktober 2013.

4.3.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Dit geldt ook voor een besluit tot herziening ten nadele van de ontvanger van bijstand.

4.4.

Appellant heeft betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij heeft alle informatie waarover hij binnen de door het college gestelde termijn kon beschikken overgelegd. Hem was niet vooraf kenbaar gemaakt dat hij elke storting moest administreren of moest vastleggen waar de gestorte bedragen vandaan kwamen.

4.5.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

4.6.

Appellant heeft op 15 augustus 2013 afschriften van zijn ABN AMRO-rekening

nummer [rekeningnummer B] (rekening [nummer B] ) en een afschrift van zijn rekening [nummer A] ingeleverd. Niet duidelijk is wanneer appellant voor het eerst overige gegevens van rekening [nummer A] heeft ingeleverd. In het dossier bevindt zich een uitdraai van die rekening die pas op 12 december 2013, dus na besluit 2, zou zijn ontvangen. Gelet op het feit dat het college al op

18 september 2013 op de hoogte was van de stortingen op die bankrekening, moet ervan uit worden gegaan dat appellant deze gegevens ook al eerder heeft overgelegd. Appellant heeft gegevens van zijn Marokkaanse bankrekening echter pas op 13 januari 2014 overgelegd. Appellant heeft dan ook de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.7.

Op rekening [nummer A] zijn in de te beoordelen periodes stortingen verricht op 28 februari 2013 van € 610,-, 21 maart 2013 van € 550,-, 1 mei 2013 van € 470,-, 10 mei 2013 van € 100,-,

14 mei 2013 van € 660,-, 31 juli 2013 van € 500,- en 19 augustus 2013 van € 670,-. Appellant heeft aangevoerd dat hij deze stortingen heeft gedaan met geld dat hij eerder van zijn rekening met nummer [nummer B] , waarop de bijstand werd gestort, had opgenomen om zijn vaste lasten te kunnen betalen. Voor rekening [nummer B] zijn incassomachtigingen afgegeven. Om te voorkomen dat zoveel van die rekening zou worden afgeschreven dat appellant de huur niet kon betalen, haalde hij geld van deze rekening en stortte hij het vervolgens op rekening [nummer A] .

4.8.

Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant deze stortingen hiermee onvoldoende heeft verklaard. De van rekening [nummer B] opgenomen en op rekening [nummer A] gestorte bedragen zijn niet één op één met elkaar in verband te brengen. Dat geldt, anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, ook voor de stortingen in februari en maart 2013 en de storting op 31 juli 2013. Appellant heeft op 17 februari 2013 en op 19 februari 2013 in totaal

€ 500,- opgenomen van rekening [nummer B] maar pas op 28 februari 2013 een bovendien hoger

bedrag van € 610,- gestort op rekening [nummer A] . Hij heeft op 13 maart 2013 € 20,-, verder op

15 maart 2013 € 500,- en op 17 maart 2013 € 80,- opgenomen van rekening [nummer B] , terwijl hij pas op 21 maart 2013 € 550,- heeft gestort op rekening [nummer A] en hij heeft verder op 12, 13 en 15 juli 2013 drie opnamen verricht van in totaal € 570,-, terwijl hij pas op 31 juli 2013 € 500,- heeft gestort op rekening [nummer A] . Het geldt ook voor de ter zitting niet besproken storting op

19 augustus 2013 van € 670,-. In de periode vanaf begin augustus zijn van rekening [nummer B] bedragen tot slechts € 380,- opgenomen. Met de stelling van appellant dat incassomachtigingen waren afgegeven voor rekening [nummer B] heeft appellant niet voldoende verklaard waarom hij niet heeft gekozen voor overmaking van de bedragen van de ene naar de andere rekening, waardoor zijn verklaring niet verifieerbaar is. Het is aan appellant om stortingen op zijn bankrekening van substantiële bedragen inzichtelijk te maken. Daarin is appellant niet geslaagd. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat deze gegevens voor de verlening van bijstand van belang kunnen zijn. Ook wat betreft deze stortingen is appellant dan ook zijn inlichtingenverplichting onvoldoende nagekomen. Dat leidt in de eerste plaats tot de conclusie dat het college de bijstand over de periode 1 februari 2013 tot en met 31 maart 2013 terecht heeft herzien. Met betrekking tot de intrekking overweegt de Raad het volgende.

4.9.

Indien ondanks de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand toch kan worden vastgesteld, ook al is dit nihil, dient het bijstandverlenend orgaan daartoe volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB6243) over te gaan. In dat geval is geen plaats voor intrekking van de bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.10.

Ter zitting in hoger beroep heeft het college een nader standpunt ingenomen over de stortingen in de periode van april 2013 tot 15 oktober 2013. Het college stelt zich thans op het standpunt en ook de Raad is van oordeel dat de bijstand over deze periode, evenals over de maanden februari en maart 2013, kan worden vastgesteld door op de bijstand voor een bepaalde maand het bedrag van de in die maand gedane storting(en) in mindering te brengen. De kasstortingen op rekening [nummer A] moeten worden aangemerkt als inkomen van appellant in de zin van artikel 32, eerste lid, van de WWB over de maanden waarin de stortingen hebben plaatsgevonden. Hierbij is mede van belang dat appellant de bedragen direct heeft kunnen aanwenden voor het dagelijkse levensonderhoud. Dat appellant ook nog over een Marokkaanse bankrekening beschikte, waarvan hij de gegevens pas in januari 2014 heeft overgelegd, maakt niet dat het recht op bijstand van appellant in de te beoordelen periode niet kan worden vastgesteld, omdat het saldo op deze rekening zo gering was, dat dit niet aan bijstandverlening over de periode in geding in de weg staat. Het voorgaande brengt tevens mee dat het bedrag van de terugvordering dient te worden aangepast.

4.11.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat bij de terugvordering rekening had moeten worden gehouden met het feit dat hij bij het Werkleerbedrijf een tegenprestatie heeft moeten verrichten, waar, gelet op het verbod van uitbuiting en dwangarbeid, een beloning tegenover hoort te staan. Die beloning moet worden verrekend met de terugvordering. Dit betoog kan niet worden gevolgd. De verplichting tot medewerking aan arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB geldt, met uitzondering van het geval waarin wegens dringende redenen tijdelijk ontheffing is verleend, voor iedere bijstandsgerechtigde en is erop gericht om het beroep op bijstand in omvang en tijdsduur beperkt te houden (uitspraak van

1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9826). Het feit dat appellant zich heeft gehouden aan een algemene rechtstreeks uit de wet voortvloeiende verplichting heeft geen gevolgen voor de vanaf 1 januari 2013 op grond van artikel 58, eerste lid, van de WWB geldende verplichting tot terugvordering en daarin is ook geen dringende reden als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de WWB gelegen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien.

4.12.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2550) kan bijstand op grond van de WWB niet gelijk worden gesteld met een arbeidsbeloning. De door het college aan appellant verleende bijstand heeft een publiekrechtelijke grondslag en strekt ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan. De omstandigheid dat aan toekenning van de bijstand een aantal verplichtingen is verbonden gericht op arbeidsinschakeling, brengt nog niet mee dat in geval een voorziening gericht op arbeidsinschakeling is opgelegd, de bijstand op één lijn kan of moet worden gesteld met een arbeidsbeloning. De verplichting tot betaling van de bijstand berust immers op het toekenningsbesluit en niet op een door het college met appellant aangegane privaatrechtelijke rechtsverhouding. Zie in dit verband het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 1 maart 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BP7286.

4.13.

Uit 4.10 volgt dat aangevallen uitspraak 1, voor zover aangevochten, moet worden vernietigd. Het beroep tegen bestreden besluit 1 zal gegrond worden verklaard en dat besluit zal worden vernietigd voor zover het de intrekking over de periode vanaf 8 april 2013 en de terugvordering betreft. De Raad ziet in dit geval, nu het in hoofdzaak nog slechts gaat om een financiële uitwerking, die naar verwachting geen nieuwe discussie zal opleveren, af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting. Het college zal derhalve worden opgedragen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.

4.14.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.

Zaken 16/731 WWB en 16/4319 WWB. Boete

4.15.

De Raad zal het nader besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling betrekken.

4.16.

Appellant heeft betwist dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Ook heeft appellant aangevoerd dat niet de gemeente maar hijzelf de benadeelde partij is, omdat hij ontvangen bijstand moet terugbetalen.

4.17.

Op grond van artikel 18a van de WWB, onderdeel van de Wet aanscherping en handhaving sanctiebeleid SZW-wetgeving (Wet aanscherping) en in werking getreden per

1 januari 2013, legt het college een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet-behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

4.18.

Uit wat hiervoor in zaak 15/94 WWB is overwogen volgt dat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat ook over de periode van 1 april tot

15 oktober 2013 de bijstand moet worden herzien door daarop de stortingen op rekening [nummer A] in mindering te brengen. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2451) brengt dit niet mee dat de schending van de inlichtingenverplichting en het gehanteerde benadelingsbedrag ook in dit geding over de opgelegde boete zonder meer een vaststaand gegeven is, omdat het daarbij gaat om een bestraffende sanctie.

4.19.

In wat appellant heeft aangevoerd wordt echter geen grond gevonden om, in afwijking van wat hiervoor in zaak 15/94 WWB is overwogen, te oordelen dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden.

4.20.

Dat appellant de benadeelde partij zou zijn, zoals hij heeft aangevoerd, valt niet in te zien. Uit 4.10 volgt dat de stortingen moeten worden aangemerkt als middelen die op de bijstand in mindering hadden moeten worden gebracht.

4.21.

Appellant heeft aangevoerd dat de schending van de inlichtingenverplichting hem niet of slechts minimaal kan worden verweten, omdat hij niet wist dat stortingen als inkomen kunnen worden aangemerkt.

4.22.

Op appellant rustte op grond van artikel 17, eerste lid, van de WWB de verplichting alles wat voor de verlening van bijstand van belang kon zijn aan het college te melden. Dat de ontvangst van substantiële bedragen voor de verlening van bijstand van belang kan zijn, had appellant redelijkerwijs moeten begrijpen. Uit 4.8 volgt dat appellant de herkomst van de gestorte bedragen niet heeft aangetoond zodat deze als middelen moeten worden aangemerkt, waarmee bij de verlening van bijstand rekening moet worden gehouden. De schending van de inlichtingenverplichting kan appellant dan ook worden verweten. Ingevolge vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1879) is bij verminderde verwijtbaarheid 25% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect verwijtbaarheid. De omstandigheden van dit geval nopen niet tot afwijking van dit uitgangspunt.

4.23.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij al op andere wijze is gestraft, namelijk doordat hij ontvangen bijstand moet terugbetalen en voor die bijstand in het kader van een traject onaangename arbeid heeft moeten verrichten, waarvan bovendien anderen financieel hebben geprofiteerd en waardoor verdringing op de arbeidsmarkt kan hebben plaatsgevonden.

4.24.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 21 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN8837) is terugvordering van te veel betaalde bijstand een op herstel gerichte maatregel en niet een punitieve sanctie. De verplichting tot medewerking aan arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB geldt, met uitzondering van het geval waarin wegens dringende redenen tijdelijk ontheffing is verleend, voor iedere bijstandsgerechtigde en is erop gericht om het beroep in omvang en tijdsduur beperkt te houden (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9826). De uitgangspunten die aan deze verplichting ten grondslag liggen zijn in overeenstemming met de aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en andere mensenrechtenverdragen ten grondslag liggende wens de menselijke waardigheid en de menselijke vrijheid te bevorderen. Volgens deze uitgangspunten wordt er immers primair naar gestreefd de autonomie en het sociaaleconomisch niveau van leven van betrokkenen te verhogen door waar mogelijk arbeidsparticipatie te bevorderen, terwijl eveneens een inkomenswaarborg wordt geboden indien en zolang betrokkenen niet in staat zijn in het eigen bestaan te voorzien. Bij de beantwoording van de vraag of een op de in de WWB neergelegde regeling inzake arbeidsinschakeling gebaseerd concreet besluit verenigbaar is met artikel 4 van het EVRM, geldt het volgende. Pas zodra van een (beoogde) deelnemer aan een voorziening, gelet op alle omstandigheden, (niet) meer verlangd kan worden de opgedragen activiteiten of werkzaamheden te verrichten vanwege het excessief of disproportioneel belastende karakter ervan en/of het totaal ontbreken daaraan van enig perspectief richting arbeidsinschakeling, zou sprake kunnen zijn van verplichte arbeid en zal in zoverre met succes een beroep kunnen worden gedaan op artikel 4 van het EVRM (uitspraak van 8 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1093). Omdat in dit geding niet een op de in de WWB neergelegde regeling inzake arbeidsinschakeling gebaseerd concreet besluit ter toetsing voorligt, maar een boete wegens schending van de inlichtingenverplichting, wordt aan die beoordeling niet toegekomen. Evenmin wordt toegekomen aan de vraag of het traject waaraan appellant heeft deelgenomen uit anderen hoofde (verdringing op de arbeidsmarkt, financieel profiteren door anderen) de toetsing aan het recht niet zou kunnen doorstaan. Deze beroepsgrond faalt daarom.

4.25.

Omdat de boete, zoals het college in het nader besluit terecht heeft gesteld, bij verminderde verwijtbaarheid binnen zes maanden uit de beslagvrije ruimte van het inkomen op minimumniveau van appellant moet kunnen worden voldaan (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:9), heeft het college de boete, gelet op 4.8 en nu appellant de berekening in het nader besluit niet heeft betwist, terecht vastgesteld op € 440,-.

4.26.

Uit 4.15 tot en met 4.25 volgt dat het hoger beroep in de zaak 16/731 WWB slaagt, dat aangevallen uitspraak 2 moet worden vernietigd, dat het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond moet worden verklaard, dat dit besluit moet worden vernietigd en dat het beroep tegen het nader besluit (zaak 16/4319 WWB) ongegrond is.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,- in beroep en € 446,- in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

zaak 15/94 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 1 voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 mei 2014 gegrond en vernietigt dat besluit voor

zover dat ziet op de intrekking van de bijstand van appellant over de periode vanaf

8 april 2013 en de terugvordering van de bijstand;

- draagt het college op in zoverre opnieuw op het bezwaarschrift van appellant tegen het

besluit van 12 november 2013 te beslissen met inachtneming van wat in 4.2 tot en met 4.12

is overwogen;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college het griffierecht van appellant in beroep en in hoger beroep van in

totaal € 168,- moet voldoen;

zaken 16/731 WWB en 16/4319 WWB

- vernietigt aangevallen uitspraak 2;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2014 gegrond en vernietigt dat

besluit;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 11 maart 2016 ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.488,-;

- bepaalt dat het college het griffierecht van appellant in beroep en in hoger beroep van in

totaal € 169,- moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

HD