Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3704

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
15/7651 AWW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Wat betreft de periode vanaf het verzoek – van 21 november 2014 – had appellante reeds de leeftijd van 66 jaar bereikt en dus geen recht meer kon doen gelden op een nabestaandenuitkering. Beoordeling van de aanspraak op een nabestaandenuitkering vanaf de datum van het verzoek kan niet leiden tot toekenning van enige uitkering en kan derhalve achterwege blijven. Daarbij wijst de Raad er nog op dat de door appellante aangevoerde gronden wel zijn beoordeeld in de uitspraak van de Raad van heden in een soortgelijk geschil tussen appellante en de Svb geregistreerd onder nummer 13/6392.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/366

Uitspraak

15/7651 AWW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

12 oktober 2015, 15/2603 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 7 oktober 2016

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft de heer A.A. Creton hoger beroep ingesteld. Daarna heeft de heer Creton namens appellante in diverse brieven een nadere toelichting gegevens op het standpunt van appellante.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van appellante heeft de Raad bij brief van 4 augustus 2016 een ondertekend exemplaar en een grosse van de uitspraak van 11 april 2001 aan appellante toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2016. Appellante is daarbij verschenen, bijgestaan door de heer Creton. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.Bij besluit van 29 oktober 1996 heeft de Svb de aan appellante op grond van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) toegekend uitkering met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken, omdat zij op 27 december 1994 (lees: 27 december 1993) in Egypte in het huwelijk is getreden. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 20 juni 1997 ongegrond verklaard. De procedure die daarop is gevolgd, heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 11 april 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AB1784. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat hij, op grond van het op verzoek van de Raad uitgebrachte advies van het Internationaal Juridisch Instituut, van oordeel is dat de Svb naar aanleiding van de overgelegde huwelijksakte, ingeschreven onder nr. 504, kon uitgaan van het bestaan van een op
27 december 1993 tussen appellante en [naam] gesloten huwelijk. Aangezien niet is gebleken van evidente gebreken in de inhoud en de wijze van totstandkoming van de huwelijksakte stond het de Svb vrij op grond van het rechtsgeldig gesloten huwelijk het AWW-pensioen van appellante in te trekken.

1.2.

Appellante heeft vier keer eerder de Svb verzocht om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1996. De Svb heeft deze verzoeken afgewezen. De daaropvolgende procedures hebben geleid tot de uitspraken van de Raad van 19 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH5806, van 28 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010: BN2791, van
15 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4681 en 14 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3742. Hierin heeft de Raad geoordeeld dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden en dat ook overigens niet gezegd kan worden dat de Svb niet in redelijkheid tot het in die zaken bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel, zodat de Svb bevoegd was om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 29 oktober 1996.

1.3.

Dit geding heeft ook betrekking op een verzoek van appellante aan de Svb om terug te komen van het besluit van 29 oktober 1996 dan wel het besluit van 20 juni 1997. Bij besluit van 1 december 2014 is dit verzoek afgewezen.

1.4.

In de beslissing op bezwaar van 30 april 2015 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2014 ongegrond verklaard omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht op grond waarvan een andere beslissing kan worden genomen. Tevens zijn de besluiten van 29 oktober 1996 dan wel 20 juni 1997 – mede rekening houdend met de uitspraken van de Raad – niet onmiskenbaar onjuist geacht.

2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Namens appellante zijn in deze procedure – samengevat – de volgende gronden naar voren gebracht ter ondersteuning van haar stelling dat het besluit van 29 oktober 1996 op een ondeugdelijke grondslag berust.

- Er is geen sprake (geweest) van een huwelijk van appellante met de heer [naam] , omdat niet is voldaan aan de wettelijke criteria daarvoor. Daarbij is aangevoerd dat appellante en de heer Kassem nimmer een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, niet gezamenlijk hebben voorzien in de huisvesting en niet in elkaars verzorging hebben voorzien.

- De intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk is voorts gebaseerd op een niet gelegaliseerd buitenlands document, welke akte geen bewijskracht voor het bestaan van een rechtsgeldig huwelijk heeft indien het zou gaan om de beoordeling van een recht op een nabestaandenuitkering. Ook de gemeente accepteert een dergelijke akte niet bij inschrijving van een huwelijk in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans: Basisregistratie Personen (BRP).

- Appellante is nog steeds als “weduwe” in de BRP van haar gemeente opgenomen en zij heeft verzocht om te bewerkstelligen dat de huwelijksakte alsnog wordt ingeschreven in de BRP.

- Nu deze huwelijksakte wel wordt geaccepteerd voor de intrekking van de uitkering en niet bij een toekenning heeft de Svb gehandeld in strijd met het in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verbinding met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) neergelegde discriminatieverbod.

- Tevens is een ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt tussen weduwen met een uitkering voor en op 1 januari 1994 en appellante omdat andere weduwen wel hun uitkering hebben behouden.

- Voorts is door de intrekking van haar nabestaandenuitkering een ongerechtvaardigde inbreuk gemaakt op haar eigendomsrecht in de zin van artikel 1 van het EP. Nu de Svb genoemde verdragsbepalingen heeft geschonden, dient de Svb de besluitvorming met volledige terugwerkende kracht te herzien.

- Door de terughoudende wijze van toetsing op grond van artikel 4:6 van de Awb wordt appellante een effectieve rechtsbescherming onthouden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het IVBPR en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

- Ten slotte is verzocht om vergoeding van de geleden schade.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Svb heeft mogen weigeren terug te komen van de besluiten van 29 oktober 1996 en 20 juni 1997.

4.2.

De door appellante gestelde aanspraak op een nabestaandenuitkering betreft een geschil over een zogenoemde duuraanspraak. Dit betekent dat ingevolge vaste rechtspraak bij de toetsing van het bestreden besluit een onderscheid gemaakt moet worden tussen het verleden en de toekomst (ECLI:NL:CRVB:2012:BW8262). Wat betreft de periode voorafgaande aan het verzoek om terug te komen van een eerder genomen besluit, dient de bestuursrechter zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. Wat betreft de periode daarna moet een minder terughoudende toetsing worden gehanteerd. Daarbij zal het bij een duuraanspraak in de regel niet met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging verenigbaar zijn dat een besluit waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend blijvend aan de verzoeker wordt tegengeworpen. Eerbiediging van de rechtszekerheid, waarop immers ook het bestuursorgaan aanspraak kan maken, is voor de toekomst van minder belang dan voor het verleden.

4.3.

Mede onder verwijzing naar de onder 1.2 genoemde uitspraken van de Raad wordt geoordeeld dat met hetgeen door appellante naar voren is gebracht en aan stukken is ingebracht, niet is voldaan aan het in artikel 4:6 van de Awb gestelde vereiste van “nieuwe gebleken feiten of veranderde omstandigheden”, nu deze argumenten naar voren hadden kunnen en moeten worden gebracht in de eerdere procedure tegen de besluiten van
29 oktober 1996 en 20 juni 1997. De Svb was derhalve wat betreft het verleden bevoegd om het verzoek om herziening van 21 november 2014 onder verwijzing naar de eerdere besluiten van 29 oktober 1996 en 20 juni 1997 af te wijzen.

4.4.

Wat betreft de periode vanaf het verzoek – van 21 november 2014 – moet vastgesteld worden dat appellante, geboren op 20 juli 1948, ten tijde van dit verzoek reeds de leeftijd van 66 jaar had bereikt en dus geen recht meer kon doen gelden op een nabestaandenuitkering. Dit betekent dat een beoordeling van de aanspraak op een nabestaandenuitkering vanaf de datum van het verzoek niet kan leiden tot toekenning van enige uitkering vanaf die datum en derhalve achterwege kan blijven. Daarbij wijst de Raad er nog op dat de door appellante aangevoerde gronden wel zijn beoordeeld in de uitspraak van de Raad van heden in een soortgelijk geschil tussen appellante en de Svb geregistreerd onder nummer 13/6392.

4.5.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt. Er is derhalve geen aanleiding voor een veroordeling van de Svb in de door appellante gestelde schade.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) N. Veenstra

NW