Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3693

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
15/2126 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Er is voldaan aan de voorwaarden om aan te nemen dat de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend. Hoger beroep slaagt. Vernietiging uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/368

Uitspraak

15/2126 AOW

Datum uitspraak: 7 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
19 februari 2015, 14/7781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft drs. R.J. Dobbelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. Dobbelaar. Van de zijde van appellant is de heer J.J. Piket ter zitting meegebracht. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.S. van Zanten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft vanaf april 2011 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet en een partnertoeslag ontvangen. Bij besluit van 16 december 2013 is vastgesteld dat appellant over de periode van april 2011 tot en met november 2013 geen recht heeft op partnertoeslag, omdat gebleken was dat de echtgenote van appellant in deze periode inkomsten had. In een besluit van eveneens 16 december 2013 is de partnertoeslag teruggevorderd tot een bedrag van € 22.005,01 bruto.

1.2.

Het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 16 december 2013 is bij besluit van
7 juli 2014 gegrond verklaard. Daarbij zijn de besluiten van 16 december 2013 herroepen. Vastgesteld is dat appellant geen recht heeft op een partnertoeslag over de periode van april 2011 tot en met december 2012 en dat de partnertoeslag wordt teruggevorderd tot een bedrag van € 13.497,69 bruto. Het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar is afgewezen, omdat geen sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

1.3.

Tegen het besluit van 7 juli 2014 heeft appellant beroep ingesteld. Op de rechtbankzitting van 14 november 2014 zijn partijen overeengekomen:

a. dat de terugvordering zal worden beperkt tot 40% van het oorspronkelijke terugvorderingsbedrag,

b. dat de Svb in beroep door appellant gemaakte proceskosten vergoedt tot een bedrag van
€ 974,-, en

c. dat appellant na ontvangst van het nieuwe besluit bericht of hij het beroep intrekt, waarna uitspaak zal volgen over het verzoek om de Svb de veroordelen in de kosten in bezwaar.

1.4.

In een brief van 16 januari 2015 heeft de Svb bevestigd hetgeen op de rechtbankzitting is overeengekomen en meegedeeld dat het bedrag van de terugvordering is verlaagd naar
€ 8.802,00.

1.5.

Appellant heeft in een brief van 31 januari 2015 het beroep ingetrokken, onder handhaving van zijn verzoek om de Svb te veroordelen in de kosten in bezwaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak is de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellant in beroep ten bedrage van € 974,-. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding de Svb te veroordelen in de kosten in bezwaar, omdat de gemachtigde van appellant in bezwaar, Piket , de rechtsbijstand niet beroepsmatig heeft verleend. Geen sprake is van het verlenen van rechtsbijstand dat vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomen gerichte taakuitoefening van de betreffende gemachtigde. De rechtbank heeft overwogen dat het verlenen van rechtsbijstand geen hoofdtaak is van Piket . Daarbij is verwezen naar de gegevens van de Kamer van Koophandel, waaruit blijkt dat de hoofdactiviteit van Piket Adviezen bestaat uit advisering, onderzoek en overige specialistische zakelijke dienstverlening, met als subcategorie, advisering op het gebied van management en bedrijfsvoering.

3.1.

Appellant meent dat de Svb ten onrechte niet is veroordeeld in de kosten in bezwaar. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat Piket in bezwaar beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Appellant stelt dat de rechtbank daarvoor ten onrechte bepalend heeft geacht het aantal keren dat Piket als rechtshulpverlener is opgetreden. Bepalend is volgens appellant of Piket feitelijke invulling heeft gegeven aan het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Appellant wijst op de uitspraak van de Raad van 10 augustus 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN3608. Appellant stelt dat aan het criterium van feitelijke invulling is voldaan. Betoogd is dat Piket ruime ervaring en kennis heeft op een breed terrein, waaronder sociale wetgeving. Rechtshulpverlening en rechtsbijstand op het terrein van arbeidsrecht en socialeverzekeringswetgeving vormen al geruime tijd Pikets hoofdactiviteit. Daaraan doet niet af dat bij de inschrijving bij de Kamer van Koophandel is vermeld dat appellant zich in hoofdzaak bezig houdt met zakelijke dienstverlening, omdat appellant zich bij de start van zijn onderneming in 1996 in eerste instantie richtte op advies en organisatiewerkzaamheden maar de activiteiten zijn in het laatste decennium steeds meer verschoven naar rechtsbijstandverlening. Appellant heeft tevens betoogd dat hij meer dan incidenteel rechtsbijstand heeft verleend, waaronder diverse ontslagzaken bij rechtbanken.

3.2.

De Svb heeft gesteld dat bepalend is voor het beroepsmatige karakter van de rechtsbijstand of uit de informatie van de Kamer van Koophandel en verdere informatie, zoals op internet, is op te maken dat het verlenen van rechtsbijstand een hoofdtaak is van Piket . Volgens de Svb is dit bij Piket niet het geval. Voorts is gesteld dat Piket slechts incidenteel rechtsbijstand verleent.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep is uitsluitend gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover is geoordeeld dat door Piket in bezwaar niet beroepsmatig rechtsbijstand is verleend.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de (primaire) besluiten van 16 december 2013 zijn herroepen wegens aan de Svb te wijten onrechtmatigheid. Voorts is niet in geschil dat appellant tijdig heeft verzocht om vergoeding van kosten in bezwaar.

4.3.

In artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is bepaald, voor zover hier van belang, dat een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht uitsluitend betrekking kan hebben op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

4.4.

In de aangevallen uitspraak is ten onrechte geoordeeld dat Piket in bezwaar niet beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad, zie onder meer uitspraken van 12 mei 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI4370 en 20 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:223, is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake indien niet slechts incidenteel rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht.

4.5.

In dit geval is voldaan aan de voorwaarden om aan te nemen dat de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend. Op basis van de door appellant overgelegde stukken en de hierop door Piket ter zitting gegeven toelichting is aannemelijk dat Piket meer dan incidenteel (juridisch) advies en procesbijstand verleent en dat hiervoor kosten in rekening worden gebracht. Appellant heeft brieven – gedateerd tussen 2006 en 2014 – overgelegd waarmee feitelijk door Piket namens derden in procedures is opgetreden en daarbij nota's overgelegd waarmee aan derden voor de rechtshulp vergoedingen in rekening zijn gebracht.

4.6.

Aan het oordeel dat Piket beroepsmatig rechtsbijstand heeft verleend, doet niet af dat in de gegevens van de Kamer van Koophandel niet is vermeld dat Piket (mede) rechtsbijstand verleent. Evenmin doet aan dit oordeel af dat de werkzaamheden van Piket een gemengd karakter hebben of dat Piket zich naar buiten toe niet direct profileert als rechtshulpverlener. Niet kan worden ingestemd met de overweging in het bestreden besluit die erop neerkomt dat de rechtsbijstand niet beroepsmatig zou zijn verleend, omdat de vermelding daarvan ontbreekt in de opsomming van de werkzaamheden die Piket geeft op zijn internetwebsite. De Raad verwijst in dit verband naar de – hiervoor genoemde – uitspraak van 12 mei 2009.

4.7.

De kosten in bezwaar worden vastgesteld op de kosten van het indienen van het bezwaarschrift (één punt) en die voor het verschijnen op de hoorzitting (één punt), zodat de kosten in bezwaar (€ 496,- per punt) in totaal € 992,- bedragen.

4.8.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten dient te worden vernietigd. De Svb dient alsnog te worden veroordeeld in de kosten in bezwaar tot een bedrag van € 992,-.

5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Aangezien het hoger beroep uitsluitend betrekking heeft op het oordeel van de rechtbank wat betreft de proceskosten ziet de Raad aanleiding om in het kader van het forfaitaire systeem zoals opgenomen in het Besluit proceskosten bestuursrecht wegingsfactor licht (factor 0,5) toe te passen en worden deze kosten begroot op € 496,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Gelet op deze overweging en overweging 4.8, bedragen de kosten in bezwaar en proceskosten in hoger beroep in totaal € 1.488,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.488,-,

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2016.

(getekend) L. Koper

(getekend) R.I. Troelstra

UM