Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3686

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2016
Datum publicatie
07-10-2016
Zaaknummer
16/425 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen beroep op het vertrouwensbeginsel. Er is geen sprake van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/425 AW

Datum uitspraak: 6 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

10 december 2015, 14/3452 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/5629 AW en 15/7219 AW, plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. T.A. van Helvoort, kantoorgenoot van mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Bensoussan, mr. F.A.M. Bot en R.M.M. Paulssen.

Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

De uitgangspositie van appellante voor de omzetting naar het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) is vastgesteld op de functie van Medewerker dienstverlening en advies, Secretariaat Korpsleiding, salarisschaal 7.

1.3.

Op 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellante besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie Secretarieel Medewerker, met als vakgebied Administratie en Secretariaat, gewaardeerd in salarisschaal 7. Bij besluit van

25 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de korpschef het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Mede onder verwijzing naar de in 1.1 genoemde uitspraken heeft de rechtbank, kort samengevat, geoordeeld dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat de matching in haar geval niet overeenkomstig de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) is geschied of anderszins onhoudbaar is te achten. De rechtbank heeft het beroep op de hardheidsclausule en het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Onder verwijzing naar de door haar in beroep overgelegde e-mails van 22 september 2015 en

20 oktober 2015 (e-mails) met daarin de reacties van haar toenmalige leidinggevenden

Van B en B op haar visie over de aan haar in het verleden gedane toezegging, stelt zij dat haar is toegezegd dat de beloningsverschillen ten opzichte van collega’s in de omliggende korpsen met naar aard en inhoud vergelijkbare functies met de overgang naar een LFNP-functie zouden worden gelijkgetrokken. Daarnaast heeft appellante gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 juli 2015, 14/2433, waarbij het beroep op het vertrouwensbeginsel van haar collega H is gehonoreerd. Hoewel haar functie niet identiek is aan de functie van H, stelt appellante zich op het standpunt dat de aan haar gedane toezegging door dezelfde toenmalige korpsleiding met de aan H gedane toezegging op één lijn moet worden gesteld.

3.2.

Volgens de korpschef kan het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slagen, omdat geen sprake is van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging. Uit de

e-mails zou hooguit afgeleid kunnen worden dat uitlatingen zijn gedaan over het gelijktrekken van ongelijkheden in overigens gelijkluidende functies. Hieruit kan echter niet opgemaakt worden dat daarmee is bedoeld, laat staan is toegezegd, dat appellante bij de overgang naar een LFNP-functie beloond zou worden conform salarisschaal 8. Voorts heeft de korpschef erop gewezen dat hij tegen de in 3.1 genoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in de zaak van H hoger beroep heeft ingesteld. Verder heeft hij betoogd dat het LFNP ten tijde van de vermeende toezegging nog volop in ontwikkeling was en dat bij de verschillende korpsleidingen nog maar een beperkte kennis aanwezig was van het LFNP. Mede in dit licht bezien is volgens de korpschef onduidelijk in welke context de vermeende toezegging geplaatst moet worden en kon appellante hieraan niet een gerechtvaardigde verwachting ontlenen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 19 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4735) kan een beroep op het vertrouwensbeginsel alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

4.1.2.

Aan deze eisen is in dit geval niet voldaan. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar de toezegging is gedaan dat bestaande beloningsverschillen - tussen functionarissen met een naar aard en inhoud vergelijkbare functie en takenpakket - ten gunste van haar zouden worden gelijkgetrokken bij de toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Dit kan niet worden afgeleid uit de e-mails. In de e-mail van 22 september 2015 stelt haar toenmalige leidinggevende Van B dat zij de uitlating over het gelijktrekken van functieschalen bij de invoering van het LFNP destijds heeft gedaan op basis van de op dat moment bij haar beschikbare informatie over het LFNP. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat de toezeggingen dateren van ruim voor de invoering van het LFNP en dat soortgelijke toezeggingen zijn gedaan in het kader van de invoering van het Shared Service Centrum Noord-Nederland in 2007. In zijn e-mail van 20 oktober 2015 stelt de toenmalige korpschef B het niet volledig eens te zijn met de door appellante uiteengezette visie waar het betreft het LFNP proces en de vergelijking met de functies uit het korps Groningen. De Regeling vaststelling LFNP, Stcrt. 2013, nr. 13079, en de Regeling zijn op respectievelijk 7 en 8 mei 2013 vastgesteld. Hieruit moet afgeleid worden dat ten tijde van de vermeende toezeggingen het LFNP nog volop in ontwikkeling was. Zoals Van B in de e-mail van 22 september 2015 ook aangeeft, zijn haar uitlatingen gedaan op basis van de op dat moment bij haar beschikbare informatie over het LFNP. Die uitlatingen dragen daarom veeleer het karakter van op basis van die informatie uitgesproken verwachtingen. Appellante kon aan deze uitlatingen dan ook niet een gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat haar bestaande rechtspositie zonder meer in voor haar gunstige zin zou wijzigen op het moment van toekenning en overgang naar een LFNP-functie.

4.1.3.

De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland in de zaak van collega H tegen de korpschef kan appellante evenmin baten. Daargelaten de vraag of van gelijke gevallen sprake is, heeft de Raad bij uitspraak van heden (15/5629 AW en

15/7219 AW) voornoemde uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Ook het gegeven dat appellante destijds geen verzoek om functieonderhoud heeft gedaan en evenmin bezwaar heeft gemaakt tegen de vastgestelde uitgangspositie leidt niet tot een ander oordeel. Onder verwijzing naar de in 1.1 genoemde uitspraken dient dat voor rekening en risico van appellante te blijven.

4.2.

Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. De Raad volstaat in dit verband met een verwijzing naar de overwegingen hierover in de aangevallen uitspraak, die hij onderschrijft. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellante naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie die noopt tot toepassing van de hardheidsclausule.

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) A. Stuut

HD