Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3680

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
06-10-2016
Zaaknummer
15-6389 WSF
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening studiefinanciering naar de norm voor thuiswonende studerende. Terugvordering. Niet woonachtig op brp-adres. Voldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/6389 WSF

Datum uitspraak: 5 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 augustus 2015, 14/6596 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats 1] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat en kantoorgenoot van mr. dr. Dayala. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

De Raad heeft het onderzoek heropend om nadere informatie in te winnen bij de minister. De minister heeft de gevraagde informatie verstrekt.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellant stond vanaf 27 november 2012 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven onder het [adres] te [woonplaats 2]. Onder dit adres stonden, naast appellant, vijf andere personen ingeschreven.

1.1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 18 januari 2013 met ingang van 1 januari 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 10 december 2013 is deze toekenning voor de periode van januari tot en met juli 2014 voortgezet.

1.2.1.

Op 4 juni 2014 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is, in het bijzijn van [naam], de hoofdbewoner, een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de brp stond ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op 5 juni 2014 een rapport opgemaakt, waarbij een verklaring van de hoofdbewoner is gevoegd.

1.2.2.

In het rapport is – onder meer – vermeld dat in de als kamer van appellant getoonde kamer een onopgemaakt eenpersoonsbed, een lage kast, drie kasten met daarin enkele kledingstukken en een sporttas met voetbalspullen aanwezig waren. Voorts hebben de controleurs naast het bed een stapel kledingstukken aangetroffen. De hoofdbewoner heeft verklaard dat hij geen studieboeken, administratie, verzorgingsspullen of persoonlijke spullen van appellant kon tonen. De hoofdbewoner heeft daarna verklaard dat appellant soms nog wel op het brp-adres verblijft, maar dat hij aan het verhuizen is en niet meer op het brp-adres woont.

1.3.

Bij besluit van 1 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft de minister, beslissend op bezwaar, het besluit van 27 juni 2014 gehandhaafd, waarbij de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2013 is herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum als thuiswonende studerende is aangemerkt, en het aan appellant over de periode van januari 2013 tot en met juni 2014 te veel betaalde bedrag van € 3.334,72 van hem is teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister, op grond van de verklaring van de hoofdbewoner en het rapport van 5 juni 2014, aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn brp-adres. In hetgeen appellant daar tegenover heeft gesteld, heeft de rechtbank onvoldoende aanleiding gezien om aan de waarnemingen van de controleurs te twijfelen. De rechtbank is voorts voorbij gegaan aan de stelling van appellant dat de hoofdbewoner geen toestemming heeft gegeven om een doos met persoonlijke papieren van appellant open te maken, nu hieromtrent in het rapport niets is vermeld. Wat appellant verder heeft aangevoerd doet volgens de rechtbank niet af aan de waarnemingen van de controleurs en aan de verklaring van de hoofdbewoner dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet meer op het brp-adres woonde. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellant niet het onomstotelijke bewijs heeft geleverd, waaruit zou blijken dat hij wél op zijn brp-adres heeft gewoond.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij ten tijde van de controle wél op het brp-adres woonde en dat de waarnemingen en bevindingen van de controleurs, zoals neergelegd in het rapport van 5 juni 2014, niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan het standpunt van de minister dat hij daar niet woonde. Appellant heeft gesteld dat hij post ontving op het brp-adres, dat er in zijn kamer een bed stond, dat er ten tijde van het huisbezoek kledingstukken, verzorgingsspullen en andere persoonlijke spullen van hem in de woning aanwezig waren en dat de controleurs slechts summier op zijn kamer hebben gekeken. Appellant heeft voorts gesteld dat hij zijn administratie in een doos bewaarde, dat studiemateriaal voornamelijk digitaal wordt verstrekt en dat hij zijn enige twee studieboeken ten tijde van de controle bij zich had. Ter zitting heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het onredelijk is dat de aan hem toegekende studiefinanciering vanaf januari 2013 is herzien, nu de minister niet heeft bewezen dat hij nooit op het brp-adres heeft gewoond.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in grote lijnen een herhaling van wat hij in beroep naar voren heeft gebracht. Wezenlijk nieuwe gezichtspunten zijn niet aangevoerd.

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en op hoofdlijnen de daartoe gegeven overwegingen, dat de waarnemingen en bevindingen van de controleurs, zoals neergelegd in het rapport van 5 juni 2014, de minister voldoende feitelijke grondslag bieden voor de herziening. Daarbij wordt er in het bijzonder op gewezen dat de hoofdbewoner heeft verklaard dat appellant niet meer op het brp-adres woonde. Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht blijkt niet dat deze verklaring van de hoofdbewoner onjuist is. Ook de omstandigheden dat er tijdens het huisbezoek, behoudens – mogelijk – enkele kledingstukken, geen spullen zijn aangetroffen die tot appellant te herleiden zijn roept geen twijfel op aan de verklaring van de hoofdbewoner. Waar appellant ten tijde van de controle ruim anderhalf jaar onder het brp-adres stond ingeschreven, valt overigens redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot hem te herleiden zaken bevonden waaruit kon worden afgeleid dat hij daar woonde.

4.3.

Het door appellant ter zitting ingenomen standpunt, dat het onredelijk is dat de aan hem toegekende studiefinanciering vanaf januari 2013 is herzien en dat de aan herziening verleende terugwerkende kracht onvoldoende is onderbouwd, miskent de werking van het in artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 neergelegde wettelijk vermoeden. Anders dan appellant meent rust de bewijslast, gelet op het bepaalde in artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor de periode voorafgaand aan de vastgestelde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 niet op de minister maar op hem. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146. Van een situatie dat niet onverkort aan het wettelijk vermoeden kan worden vastgehouden is niet gebleken. Van een onredelijke besluitvorming is dan ook geen sprake.

4.4.

Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.M.M. van Dalen

SS