Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3674

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
14/5220 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand. Verstrengeling met Stichting werkzaamheden met paarden. Recht op bijstand niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5220 WWB

Datum uitspraak: 4 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

4 augustus 2014, 13/6505 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van de Dienst Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling Werk en Inkomen Lekstroom oefent het dagelijks bestuur met ingang van 1 mei 2013 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door het college van burgemeester en wethouders van Lopik werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur tevens verstaan het college van burgemeester en wethouders van Lopik.

Namens appellante heeft mr. J.J.D. van Doleweerd, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Doleweerd. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.G. Werkenbosch.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 11 augustus 2006 bijstand op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een op 11 november 2010 ontvangen anonieme brief met de melding dat appellante tegen betaling paardrijlessen geeft, gebruik maakt van een gele [merk auto] en een zwarte [merk auto], paarden bezit, een stichting heeft opgezet en evenementen organiseert, heeft de Sociale Recherche Nieuwegein (sociale recherche) een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dit onderzoek zijn onder meer registers geraadpleegd, getuigen gehoord, bestanden van de regiopolitie Utrecht geraadpleegd, gedurende 4 januari 2011 tot en met 12 februari 2011 waarnemingen verricht en is een dossier- en een internetonderzoek gedaan. Voorts is appellante als verdachte verhoord en is de boekhouding van de op 20 oktober 2005 opgerichte stichting [naam stichting] (stichting) onderzocht. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van de sociale recherche van 22 november 2011.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 23 april 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 12 november 2013 (bestreden besluit), de bijstand over de periode van 1 november 2006 tot en met 9 februari 2011 in te trekken en de over de periode van 1 november 2006 tot en met 31 januari 2011 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 50.657,22 van appellante terug te vorderen. Aan het bestreden besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door aanvankelijk geen en later onvoldoende informatie te verstrekken over de stichting, de paarden, de verrichte werkzaamheden en de verworven middelen. Er is sprake geweest van een zodanige verstrengeling tussen de stichting en appellante dat de bedragen die de stichting heeft ontvangen moeten worden aangemerkt als middelen van appellante en de paarden van de stichting een bestanddeel vormen van het vermogen waarover appellante beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Omdat de exacte omvang van de werkzaamheden, het aantal paarden en de waarde van deze paarden niet bekend zijn dan wel daarover geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn, is het recht op bijstand niet meer vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode ten aanzien van de intrekking loopt van 1 november 2006 tot en met 9 februari 2011 (periode).

4.2.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur de verstrengeling van appellante met de stichting niet met feiten of omstandigheden heeft onderbouwd en dat het gegeven dat de stichting grotendeels dreef op de kennis, inzet en contacten van appellante, geen financiële verstrengeling met zich brengt.

4.2.2.

Niet in geschil is dat appellante enig bestuurslid van de stichting was en de functies van voorzitter, secretaris en penningsmeester bekleedde. Voorts was alleen appellante bevoegd de stichting te vertegenwoordigen. Het adres van de stichting was tevens het uitkeringsadres. Uit de getuigenverklaringen in het dossier blijkt dat de betalingen aan appellante en de betalingen door appellante, die volgens appellante steeds als betalingen aan dan wel door de stichting dienen te worden aangemerkt, steeds contante betalingen betroffen. De boekhouding van de stichting bestond uit een kasboek en een bankrekening. Appellante heeft vanaf

november 2006 het kasboek bijgehouden en in oktober 2007 op naam van de stichting een bankrekening geopend.

4.2.3.

In het onderzoek is geconstateerd dat de verklaringen van getuigen over contante betalingen niet corresponderen met de ontvangsten opgenomen in het kasboek.

Getuige [naam getuige 1] bijvoorbeeld heeft verklaard dat zij voor het zadelmak maken van haar paard [paard S] vanaf 11 maart 2007 in zeven weken in totaal € 1.400,- contant heeft betaald aan appellante. In het kasboek staan onder de voornaam van deze getuige ontvangsten over de periode van maart 2007 tot en met februari 2008 van in totaal € 3.200,-.

Getuige [naam getuige 2] heeft verklaard dat zij voor het zadelmak maken van haar paard [paard Z.] in 2007 € 1.000,- contant heeft betaald aan appellante. In het kasboek is de naam van de getuige, de naam van haar man noch de naam van het paard terug te vinden. Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij zich deze getuige niet kan herinneren. Getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat zij in de zomer van 2008 met appellante zeven of acht paarden zadelmak heeft gemaakt voor € 5,- contant per dag per paard. In het kasboek is de naam van getuige [naam getuige 3] niet terug te vinden. Appellante heeft geen afdoende verklaring gegeven voor de verschillen tussen de verklaringen van deze getuigen en de verantwoording in het kasboek. Hetzelfde geldt voor andere discrepanties tussen de getuigenverklaringen en de opnames en uitgaven blijkend uit het kasboek, respectievelijk de bankrekening. Appellante is er niet in geslaagd om duidelijkheid te verschaffen over de herkomst en bestemming van de middelen waarover de stichting de beschikking heeft gekregen. Er is sprake van een zodanige financiële verstrengeling tussen appellante en de stichting dat inkomen, uitgaven en vermogen van de stichting aan appellante kunnen worden toegerekend. De beroepsgrond slaagt niet.

4.3.1.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat zij haar verrichtingen voor de stichting heeft gemeld, zij te horen kreeg dat de verrichtingen geen probleem waren en dat zij deze niet hoefde op te geven.

4.3.2.

Uit de getuigenverklaringen van [naam getuige 1] , [naam getuige 2], [naam getuige 4], [naam getuige 5] en [naam getuige 3] volgt dat appellante betrokken is geweest bij het zadelmak maken van 37 tot 38 paarden in de periode van 2006 tot en met oktober 2008 en dat zij daarvoor werd betaald. Ter zitting heeft appellante gezegd dat zij alleen fysiek aanwezig was om bijstand te kunnen verlenen indien getuigen [naam getuige 5] en [naam getuige 3], die de paarden bereden, gewond zouden raken. Getuige [naam getuige 5] heeft verklaard dat zij samen met appellante

rond 30 paarden zadelmak heeft gemaakt, appellante alles regelde, zij ervaring mocht opdoen en dat zij van appellante steeds contant een onkostenvergoeding ontving. Getuige [naam getuige 3] heeft verklaard dat zij met appellante zeven tot acht paarden zadelmak heeft gemaakt, appellante haar ophaalde met de auto, de paarden werden bekeken, de paarden door [naam getuige 3] werden bereden en [naam getuige 3] het als hobby deed en er veel van leerde. Uit de verklaringen van [naam getuige 5] en [naam getuige 3] volgt dat appellante niet alleen fysiek aanwezig was maar de contacten voor opdrachten legde en betalingen ontving. Voorts heeft appellante verklaard dat zij werkte volgens de methode Natural horsemanship. Gelet op de geringe ervaring bij getuigen [naam getuige 5] en [naam getuige 3] is het aannemelijk dat appellante een belangrijke (begeleidende) rol had bij het zadelmak maken van de paarden.

4.3.3.

Getuigen [naam getuige 6], [naam getuige 7] en [naam getuige 8] hebben verklaard over het stallen van de paarden van de stichting. Appellante heeft de paarden van de stichting bij deze getuigen gestald ongeveer in de periode van november 2006 tot en met 9 februari 2011. Deze getuigen hebben verklaard dat het ging om tien tot elf paarden en dat deze paarden gezond waren en in een goede conditie verkeerden. Dit terwijl de doelstelling van de stichting was het redden van afgekeurde/onhandelbare paarden van de slacht.

4.3.4.

Vaststaat dat appellante op de rechtmatigheidsonderzoekformulieren van

november 2006 tot en met januari 2011 geen opgave heeft gedaan van werkzaamheden, inkomsten of vermogen. Steeds heeft zij aangekruist dat er geen verandering was in haar inkomenssituatie en dat zij niet werkte. De klantmanager van appellante, [naam klantmanager/getuige 9], is twee keer als getuige gehoord. Op 8 september 2011 heeft zij bij de sociale recherche verklaard dat zij nooit heeft geweten dat appellante werkzaamheden met paarden verrichtte zoals het zadelmak maken en dat het haar niet bekend was dat appellante inkomsten heeft gehad tijdens de bijstandsperiode. [naam klantmanager/getuige 9] heeft voorts verklaard dat zij wist dat appellante een stichting had. Daarvan zijn stukken opgevraagd maar die zijn nooit van appellante ontvangen. Appellante vertelde [naam klantmanager/getuige 9] dat zij niets met de stichting deed. Getuige [naam klantmanager/getuige 9] heeft op

2 april 2013 bij de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland als getuige onder ede een gelijkluidende verklaring afgelegd.

4.3.5.

De verwijzing naar het e-mailbericht van 19 maart 2009 baat appellante niet. In dat bericht heeft appellante aan [naam klantmanager/getuige 9] geschreven dat zij langzaam aan het proberen is te werken voor de stichting, ongeveer vijf tot zeven uur per zeven dagen. Gelet op 4.3.2 had appellante ten tijde van het sturen van het e-mailbericht al ruim twee jaren werkzaamheden voor de stichting verricht.

4.3.6.

Op grond van het voorgaande is aannemelijk dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van haar werkzaamheden, de verworven middelen en het bezit van de paarden. Gelet hierop kunnen de werkzaamheden van appellante in het kader van de op 6 april 2009 en 6 februari 2011 gehouden evenementen onbesproken blijven. De beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Nu op grond van 4.2.3 kan worden geconcludeerd dat het kasboek geen reëel beeld geeft van de inkomsten en uitgaven door de stichting, ook overigens met betrekking tot deze inkomsten en uitgaven geen adequate en verifieerbare gegevens in het geding zijn gebracht en voorts door appellante geen stukken zijn verstrekt die een betrouwbaar zicht geven op de waarde van de paarden van de stichting, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

4.6.

Tegen de terugvordering zijn geen zelfstandige gronden ingediend.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.H.M. van de Ven en

J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) J. Tuit

HD