Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3671

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
15/7058 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen verzoek kwijtschelding. Bevoegdheid, beleid. Niet voldaan aan voorwaarden. Niet af te wijken van beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7058 WWB

Datum uitspraak: 4 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

11 september 2015, 15/2257 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Epe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Epe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

P.J. Boonstra en C. van Bodegom.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 17 augustus 2009 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 21 juni 2005 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 21 juni 2005 tot en met 31 juli 2009 tot een bedrag van € 53.403,82 van appellante teruggevorderd. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat zij onjuiste informatie heeft verstrekt over haar woonsituatie. Appellante heeft tegen het besluit van 17 augustus 2009 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar is bij besluit van 26 november 2009 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Met ingang van 11 september 2009 is aan appellante opnieuw bijstand op grond van de WWB toegekend. Vanaf dat moment heeft het college maandelijks op de bijstand een bedrag ingehouden ter aflossing van de schuld ter zake van de onder 1.1 vermelde vordering. Per

12 januari 2010 is de bijstand op verzoek van appellante beëindigd. Bij besluit van 10 februari 2010 heeft het college appellante verzocht de restantschuld van € 54.850,51 (bruto) binnen

veertien dagen te betalen. Na een inkomstenonderzoek heeft het college vastgesteld dat appellante geen financiële capaciteit had om de restantschuld te voldoen. Vervolgens heeft het college nog drie keer een onderzoek gedaan naar de inkomenssituatie van appellante om te bepalen of zij aflossingscapaciteit had, hetgeen telkens niet het geval bleek te zijn.

1.3.

Met ingang van 23 juni 2014 ontvangt appellante, naast een haar per 1 april 2014 toegekend particulier ouderdomspensioen, een ouderdomspensioen op grond van de Algemene ouderdomswet (AOW). Het college heeft de onder 1.1 vermelde vordering in verband hiermee overgedragen aan een incassobureau, die appellante op 19 juni 2014 heeft aangemaand de vordering te voldoen.

1.4.

Appellante heeft op 11 juli 2014 bij het college een verzoek ingediend om kwijtschelding van de restantschuld van (bruto) € 54.850,51. Bij besluit van 23 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 april 2015 (bestreden besluit), heeft het college dit verzoek afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante niet voldoet aan de voorwaarden zoals neergelegd in de Beleidsregels Terugvordering Wet Werk en Bijstand Beverwijk (Beleidsregels) om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Appellante heeft namelijk in de afgelopen vijf jaar aflossingen verricht op de vordering en in de toekomst zijn aflossingen te verwachten omdat appellante thans een ouderdomspensioen ontvangt.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Aangezien het terugvorderingsbesluit vóór 1 januari 2013 is genomen en de vordering op appellante dus voor die datum is ontstaan, is artikel 58 van de WWB van toepassing zoals dit luidde tot die datum. Ingevolge dit artikel is het college bevoegd om ten onrechte gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van (verdere) terugvordering, dus om het restant van de schuld kwijt te schelden, moet hierin besloten worden geacht (vergelijk de uitspraak van 8 september 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3084).

4.2.

Ter invulling van de bevoegdheid tot kwijtschelding heeft het college de Beleidsregels vastgesteld. In artikel 4, onder a, van de Beleidsregels is bepaald dat het college overgaat tot terugvordering van bijstand indien de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. In artikel 11 van de Beleidsregels is bepaald dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 4 van de Beleidsregels, burgemeester en wethouders kunnen besluiten van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende:

a. gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan;

b. gedurende vijf jaar niet aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, mits hij het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente en invorderingskosten, alsnog heeft betaald;

c. gedurende vijf jaar geen betalingen heeft kunnen verrichten, en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten, of;

d. een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de restsom in één keer aflost, onder de voorwaarde dat de vordering meer bedraagt dan € 5.000.-.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat de door het college gehanteerde Beleidsregels onredelijk zijn, omdat haar situatie in artikel 11 niet is geregeld zodat zij ‘tussen de wal en het schip valt’. Zij betoogt dat de Beleidsregels op dit punt een leemte bevatten, namelijk ten aanzien van de belanghebbende die in een periode van vijf jaar wel korte tijd heeft afgelost. Hierdoor mist artikel 11 van de Beleidsregels verbindende kracht.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De enkele stelling van appellante dat in artikel 11 van de Beleidsregels niet in haar specifieke situatie is voorzien, is, wat van die stelling ook zij, hiertoe onvoldoende. Uit de Beleidsregels volgt, voor zover hier van belang, dat kwijtschelding kan plaatsvinden in het geval dat een belanghebbende gedurende een periode van vijf jaar aan zijn verplichtingen heeft voldaan, dan wel wanneer is gebleken dat dit gedurende vijf jaar niet mogelijk was en ook niet is te verwachten dat dit in de toekomst mogelijk zal zijn. Dit beleid gaat de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten.

4.5.

Appellante heeft subsidiair aangevoerd dat zij, anders dan het college meent, wel voldoet aan de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 11, sub a, van de Beleidsregels om voor kwijtschelding in aanmerking te komen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij vanaf september 2009 tot aan de beëindiging van haar bijstand in januari 2010 heeft afgelost op de vordering. Nadien ontbrak het haar aan voldoende aflossingscapaciteit. Op het moment dat appellante de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, eind april 2014, was voorts bijna een periode van vijf jaar verstreken. Appellante heeft betoogd dat zij derhalve een periode van vijf jaar aan haar betalingsverplichting heeft voldaan, aangezien zij heeft afgelost op het moment dat zij daar draagkracht voor had. Zij heeft daarbij benadrukt dat zij er in die periode alles aan heeft gedaan om aan haar aflossingsverplichting te voldoen.

4.6.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Uit artikel 11, onder a, van de Beleidsregels volgt dat het college van verdere terugvordering kan afzien indien een belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan. Op het moment dat appellante het verzoek om kwijtschelding deed was nog geen periode van vijf jaar na het ontstaan voor de vordering verstreken. Voorts betekent de in artikel 11, onder a, van de Beleidsregels neergelegde voorwaarde, zoals door het college ter zitting van de Raad toegelicht, niet dat de belanghebbende gedurende vijf jaar al het mogelijke moet hebben gedaan om aan de aflossingsverplichting te voldoen, maar dat gedurende de periode van vijf jaar maandelijks op de vordering moet zijn afgelost. Niet in geschil is dat appellante in de periode van september 2009 tot en met juni 2014 slechts vijf maanden betalingen heeft verricht ter aflossing van de vordering.

4.7.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat het college in haar situatie, mede vanwege groot persoonlijk leed, bijzondere omstandigheden had moeten zien om van de Beleidsregels af te wijken en haar alsnog kwijtschelding te verlenen.

4.8.

In wat appellante heeft aangevoerd zijn echter geen bijzondere omstandigheden gelegen op grond waarvan het college met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van de Beleidsregels had moeten afwijken. Niet aannemelijk is geworden dat met het opstellen van het beleid met een situatie als die van appellante geen rekening is gehouden. Bovendien heeft appellante zichzelf in de omstandigheid gebracht dat zij gedurende een groot deel van de periode van vijf jaar niet heeft kunnen aflossen door het college in januari 2010 om stopzetting van haar bijstand te verzoeken. Die omstandigheid komt dan ook voor haar rekening en risico. Appellante heeft niet onderbouwd toegelicht wat het persoonlijk leed, waarop zij doelt, inhoudt, zodat ook dit geen grond vormt om van het beleid af te wijken.

4.9.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.8 is overwogen heeft het college het verzoek van appellante om kwijtschelding in redelijkheid kunnen afwijzen. Hieruit volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J.L. Meijer

HD