Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3653

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
15/7410 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Niet wonen op uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/7410 WWB

Datum uitspraak: 4 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

22 september 2015, 15/2079 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Tahitu, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tahitu. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Boere.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant stond ten tijde hier van belang ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen, brp) op het adres [adres] , evenals zijn moeder en zijn broer. Ten tijde hier van belang verbleven laatstgenoemden beiden gedurende langere tijd niet op het opgegeven adres.

1.2.

Appellant heeft op 11 september 2014 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand gedaan. Op het aanvraagformulier heeft hij vermeld dat hij woont op voormeld adres (opgegeven adres).

1.3.

Het college heeft naar aanleiding van de aanvraag onderzoek verricht naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben een rapporteur en een sociaal rechercheur van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Zuidplas op 22 september 2014 een huisbezoek afgelegd op het opgegeven adres. De rapporteur heeft appellant op 24 september 2014 in een intakegesprek gehoord over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële omstandigheden. Bij brief van 29 september 2014 heeft het college appellant verzocht om voor 8 oktober 2014 bankafschriften over de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 september 2014 over te leggen. Appellant heeft op 3 oktober 2014 de verzochte bankafschriften overgelegd, nadat hij een deel van de daarop vermelde transacties onleesbaar had gemaakt. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 oktober 2014.

1.4.

Bij besluit van 20 oktober 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 februari 2015 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant niet feitelijk verblijft op het door hem opgegeven adres. Hiermee en door het niet deugdelijk aanleveren van de verzochte bankafschriften, heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, zodat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen hoofdverblijf heeft op het opgegeven adres. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant gewezen op de in beroep overgelegde verklaringen van buurtbewoners. Appellant stelt dat op het opgegeven adres, in tegenstelling tot wat in het rapport van 6 oktober 2014 is vermeld, wel kleding, ondergoed en schoenen van hem aanwezig waren. Verder stelt appellant dat zijn vriendin zijn was doet en dat hij ten tijde hier van belang elke avond bij zijn moeder in het verzorgingstehuis of bij vrienden uit de Molukse gemeenschap at. Daardoor is geen vuile kleding of proviand aangetroffen in zijn woning. Voorts heeft appellant meegedeeld dat hij weinig eten bewaarde in zijn woning vanwege de mogelijke aanwezigheid van asbest. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat op basis van de wel zichtbare transacties op zijn bankrekening zijn financiële situatie voldoende duidelijk was.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 11 september 2014 tot en met 20 oktober 2014.

4.2.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Bij de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft komt in dit verband geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de brp.

4.3.

De bij het huisbezoek op 22 september 2014 aangetroffen feitelijke situatie biedt, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, een toereikende grondslag voor de conclusie van het college dat appellant in de te beoordelen periode niet op het opgegeven adres zijn hoofdverblijf had. Daarbij is met name van betekenis dat blijkens het van het huisbezoek opgemaakte verslag in de kamer die appellant als zijn slaapkamer heeft aangewezen geen herenkleding maar uitsluitend dameskleding is aangetroffen, er geen persoonlijke verzorgingsproducten of wasgoed (vuil of schoon) van appellant in de woning aanwezig was en dat hij het scheermesje, waarvan hij had gezegd dat hij het die ochtend nog had gebruikt, niet kon vinden. Verder is in de keuken in het geheel geen proviand aangetroffen en was ook de koelkast, op wat medicijnen van de moeder van appellant na, leeg. Voorts was geen administratie van appellant in de woning aanwezig. Eerst in hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat op het opgegeven adres wel kleding, ondergoed, schoenen en proviand van hem aanwezig waren. Deze enkele stelling, die appellant niet heeft onderbouwd, is onvoldoende om te twijfelen aan de bevindingen van het huisbezoek zoals neergelegd in het rapport van 6 oktober 2014. De afwezigheid van kleding, administratie en andere persoonlijke bezittingen op het opgegeven adres is voorts moeilijk te rijmen met het feit dat appellant op dit adres al sinds zijn geboorte stond ingeschreven. De verklaring van appellant voor de afwezigheid van proviand, namelijk dat hij vaak at bij zijn moeder in het verzorgingstehuis of bij vrienden in de Molukse gemeenschap vormt geen aanleiding voor een ander oordeel. Daarmee is immers niet verklaard dat volstrekt geen levensmiddelen zijn aangetroffen. Ook de door appellant gestelde vrees voor asbest in zijn woning biedt geen verklaring voor de volledige afwezigheid van levensmiddelen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat het college op goede grond heeft geconcludeerd dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode feitelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Het bestreden besluit is dan ook terecht gebaseerd op het standpunt dat appellant de inlichtingenverplichting ten aanzien van zijn hoofdverblijf heeft geschonden, zodat het recht op bijstand niet was vast te stellen. Gelet daarop behoeft het standpunt van appellant dat zijn financiële situatie voldoende duidelijk was geen bespreking.

4.5.

Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J.L. Meijer

HD