Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3651

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
10-10-2016
Zaaknummer
16/5 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering de volledige kosten in vorm van bijzondere bijstand voor kookplaat en koelkast. Beleid: 70% Nibudprijs. Ten onrechte geen proceskostenvergoeding. Verzet-procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/5 WWB

Datum uitspraak: 4 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

4 november 2015, 14/2234 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft R.V. Tjon, gemachtigde, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2016. Namens appellante is gemachtigde Tjon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. E.M. Ziegerink.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving ten tijde hier van belang bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2.

Op 28 augustus 2013 heeft appellante bijzondere bijstand aangevraagd voor verhuis- en inrichtingskosten en voor de kosten van vervanging van een koelkast en een wasmachine.

1.3.

Bij besluit van 25 september 2013 heeft het college bijzondere bijstand verleend voor diverse van de door appellante vermelde kosten, waaronder € 171,50 voor de kosten van een koelkast en € 248,50 voor de kosten van een elektrische kookplaat. Daarbij heeft het college op grond van de beleidsvoorschriften, neergelegd in de gemeentelijke richtlijn B101 (beleid), de hoogte van de bijzondere bijstand voor de aanschaf van huishoudelijke goederen op 70% van de nieuwwaarde (richtprijs) conform tabel 10A van de Prijzengids 2012/2013 van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (NIBUD) vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 24 december 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2013 gegrond verklaard, het besluit van

25 september 2013 herroepen voor zover daarbij bijzondere bijstand voor de kosten van een wasmachine was afgewezen en bepaald dat ook voor de kosten van een wasmachine bijzondere bijstand wordt toegekend. Voor het overige heeft het college de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

2. Bij uitspraak van 24 oktober 2014 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante geen griffierecht had betaald.

2.1.

Bij uitspraak van 23 maart 2015 heeft de rechtbank het verzet tegen de uitspraak van

24 oktober 2014 gegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit, welk beroep was gericht tegen de bij dat besluit vastgestelde hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van een koelkast en de kosten van een elektrische kookplaat, ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding is uitsluitend de hoogte van het als bijzondere bijstand verleende bedrag voor de kosten van een koelkast en de kosten van een elektrische kookplaat in geschil.

4.2.

Het college voert met betrekking tot de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB het beleid dat voor de aanschaf van huishoudelijke goederen, waartoe een koelkast en een elektrische kookplaat behoren, bijzondere bijstand kan worden verleend. Daarbij hanteert het college het onder 1.2 genoemde beleid dat de vergoeding 70% bedraagt van de in tabel 10A van de NIBUD Prijzengids 2012/2013 vermelde prijzen voor huishoudelijke apparatuur. Niet in geschil is dat de door het college verleende bijzondere bijstand van € 171,50 voor de koelkast en € 248,50 voor de elektrische kookplaat overeenkomt met 70% van de in die tabel vastgestelde prijs voor deze goederen.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat het beleid van het college onredelijk is, omdat de hoogte van de verleende bijzondere bijstand niet toereikend is om de werkelijke aanschafkosten te dekken. Appellante stelt dat zij een tweedehands Amerikaanse Bosch-koelkast en een tweedehands Hotpoint Ariston-fornuis voor elk € 400,- heeft aangeschaft.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Het enkele door appellante gestelde feit dat het toegekende bedrag aan bijzondere bijstand de kosten van de door appellante aangeschafte koelkast en elektrisch fornuis niet dekt, brengt niet met zich mee dat de beleidsvoorschriften de grenzen van redelijke beleidsbepalingen te buiten gaat. Appellante heeft niet gesteld en niet is gebleken dat voor een bedrag van 70% van de NIBUD-richtprijzen in het algemeen geen koelkast en elektrische kookplaat verkrijgbaar zijn.

4.5.

Appellante heeft aangevoerd dat 70% van voormelde NIBUD-norm in haar situatie niet een toereikend bedrag oplevert om een geschikte koelkast van te kopen. Zij heeft in dit verband gesteld dat een tafelmodel koelkast, waarop de toegekende bijzondere bijstand betrekking heeft, in haar situatie niet volstaat, omdat haar gezin uit drie personen bestaat. Het college had gelet op deze omstandigheid 100% van de NIBUD-norm moeten vergoeden.

4.6.

De Raad begrijpt deze beroepsgrond aldus, dat appellante stelt dat het college wegens bijzondere omstandigheden van het beleid had moeten afwijken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat gelet op haar gezinssituatie een tafelmodel koelkast niet volstaat. Zij heeft dit standpunt bovendien eerst ter zitting van de Raad ingenomen en niet toegelicht, noch onderbouwd.

4.7.

Tevens heeft appellante aangevoerd dat het bedrag aan toegekende bijzondere bijstand ontoereikend is om een geschikt fornuis aan te schaffen.

4.8.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin, reeds omdat appellante bij de aanvraag heeft verzocht om bijzondere bijstand voor de kosten van een elektrische kookplaat en niet voor de kosten van een elektrisch fornuis. Met de in beroep overgelegde stukken heeft het college voldoende onderbouwd dat in 2015 met de aan appellante toegekende vergoeding van € 248,50 een elektrische kookplaat kon worden aangeschaft. Niet is gesteld of gebleken dat dit ten tijde van de aanvraag in 2013 niet het geval was.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college een hoger bedrag aan bijzondere bijstand voor de kosten van een koelkast en een elektrische kooplaat had moeten verlenen. Dat appellante, zoals zij stelt, heeft gekozen voor de aanschaf van keukenapparatuur die het bedrag van 70% van de richtprijzen te boven gaat komt voor haar rekening.

4.10.

Appellante heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het college ten onrechte heeft afgezien van een hoorzitting naar aanleiding van het bezwaar.

4.11.

Deze beroepsgrond slaagt. In artikel 7:3, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad. Bij het bestreden besluit is niet volledig aan de bezwaren van appellante tegemoet gekomen. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met artikel 7:3, onder e, van de Awb genomen, nu appellante niet op haar bezwaar is gehoord, wat de rechtbank niet heeft onderkend.

4.12.

De Raad ziet evenwel aanleiding om dit gebrek aan het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren aangezien niet aannemelijk is geworden dat appellante daardoor is benadeeld. Appellante heeft in beroep en hoger beroep alsnog de gelegenheid gehad om mondeling haar standpunten te verwoorden en stukken over te leggen.

4.13.

Appellante heeft ten slotte aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte bij de aangevallen uitspraak heeft nagelaten haar verzoek om een vergoeding van de door haar in verzet gemaakte kosten te honoreren. Zij heeft er daarbij op gewezen dat bij uitspraak van 23 maart 2015 het verzet tegen de uitspraak van 24 oktober 2014 gegrond is verklaard.

4.14.

De Raad is met appellante van oordeel dat de rechtbank het college ten onrechte niet alsnog heeft veroordeeld in de proceskosten die appellante in verzet heeft moeten maken. Vergelijk de uitspraak van 11 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2030. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het college alsnog veroordelen in de proceskosten die appellante in verzet heeft moeten maken. Het eerste lid, onder a van de artikelen 1 en 2 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), in verbinding met de Bijlage bij dit Bpb schrijven voor dat in dat geval 0,5 punt per proceshandeling wordt toegekend. Aangezien sprake is van één proceshandeling, namelijk het indienen van een verzetschrift, wordt daarvoor in totaal

0,5 punt ter waarde van € 248,- toegekend.

5. Uit 4.14 volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij het college niet is veroordeeld tot vergoeding van de kosten die appellante in verzet heeft moeten maken. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd, gelet op 4.11 met verbetering van de gronden.

6. Wat in 5 is overwogen geeft aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep, in totaal € 1.984,-, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen veroordeling in de kosten van

verzet is uitgesproken;

- veroordeelt het college in de proceskosten die appellante in verzet heeft moeten maken tot

een bedrag van € 248,- en in de kosten die appellante in beroep en in hoger beroep heeft

moeten maken tot een bedrag van € 1.984,-, in totaal € 2.232,-;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2016.

(getekend) F. Hoogendijk

(getekend) J.L. Meijer

HD