Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3647

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-10-2016
Datum publicatie
05-10-2016
Zaaknummer
15/4724 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oordeel rechtbank wordt gevolgd. Knieklachten appellant zijn niet onderschat, compleet beeld medische situatie. Maatgevende arbeid is calculator. Geen aanleiding voor oordeel dat de psychische problematiek van appellant is onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-1019

Uitspraak

15/4724 ZW

Datum uitspraak: 3 oktober 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
2 juni 2015, 14/4233 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Severijn heeft bericht ingezonden dat hij zich als gemachtigde heeft onttrokken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als calculator voor 40 uur per week, toen hij zich op
15 oktober 2012 voor dit werk ziek meldde met psychische klachten. Zijn dienstverband is op 1 januari 2013 beëindigd.

1.2.

Op 2 april 2014 heeft hij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 9 april 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van calculator. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 8 april 2014 vastgesteld dat appellant per 9 april 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 19 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van
16 mei 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn lichamelijke en psychische beperkingen verkeerd heeft ingeschat. Hij heeft in dit verband verwezen naar dat wat hij in bezwaar en in beroep heeft aangevoerd. In aanvulling daarop heeft hij gesteld dat zijn knieklachten de afgelopen jaren zijn toegenomen en dat hij sinds
28 mei 2015 weer ziekengeld heeft ontvangen wegens een knieoperatie. Appellant is van mening dat de verzekeringsartsen een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en een verwoording functiebelasting hadden moeten opstellen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig is uitgevoerd. Dat de knieklachten van appellant zouden zijn onderschat, wordt niet gevolgd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant op het spreekuur van 16 mei 2014 lichamelijk en (oriënterend) psychisch onderzocht. In het daarvan opgemaakte rapport heeft deze verzekeringsarts de medische beoordeling van de knieklachten vermeld. Er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen compleet beeld had van de medische situatie van appellant.

4.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant geschikt moet worden geacht voor zijn maatgevende arbeid van calculator. Daarbij heeft deze arts de knieklachten van appellant plausibel geacht. Deze klachten zijn volgens deze verzekeringsarts echter niet zo fors dat appellant daarmee een afwisselende binnen-functie zoals in de maatgevende arbeid niet kon uitoefenen. Dat appellant uiteindelijk aan zijn rechterknie moest worden geopereerd was de verzekeringsarts bezwaar en beroep bekend. Appellant heeft geen gegevens ingebracht die doen twijfelen aan het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. In de aanwezige stukken worden daarvoor evenmin aanknopingspunten gevonden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de functie van calculator voornamelijk zittend wordt uitgevoerd.

4.4.

Er is evenmin aanleiding te oordelen dat de psychische problematiek van appellant is onderschat. De rechtbank heeft die problematiek gemotiveerd besproken en daarover geoordeeld dat die problematiek niet aan hervatting van werk in de weg staat. Nu appellant ter zitting heeft vermeld dat in hoger beroep de knieklachten op de voorgrond staan en geen andere gronden zijn aangevoerd is er geen aanleiding het oordeel van de rechtbank niet te volgen.

4.5.

Met zijn stelling dat een arbeidskundig onderzoek had moeten plaatsvinden miskent appellant dat het in het kader van een ZW-beoordeling aan de verzekeringsarts (bezwaar en beroep) is om een oordeel te vellen over de vraag of een betrokkene al dan niet arbeidsgeschikt is voor zijn arbeid. De overweging van de rechtbank wordt onderschreven dat het opstellen van een FML bij een beoordeling in het kader van de ZW niet nodig is.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Bij dit oordeel is er geen grond voor veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de gevraagde wettelijke rente.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 oktober 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) M.S.E.S. Umans

SS