Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3532

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2016
Datum publicatie
23-09-2016
Zaaknummer
15/5367 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:4713, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijsregels ambtenarentuchtrecht. Betrokkene heeft goederen weggenomen die aan de gemeente toebehoren. Door appellant gehanteerd en actief uitgedragen beleid en gegeven waarschuwingen, voor betrokkene had duidelijk moeten zijn dat. Plichtsverzuim. Disciplinaire maatregel ontslag op zichzelf niet onevenredig. Voldoende voortvarendheid. Consistent handelen bij straftoemeting niet deugdelijk gemotiveerd. Opdracht nieuw besluit op bezwaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/363
TAR 2016/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5367 AW, 15/6955 AW

Datum uitspraak: 22 september 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
23 juni 2015, 14/8063 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L.E.J. Vleesenbeek, advocaat, een verweerschrift ingediend en tevens incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft geen zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 15/5369 AW en 15/6960 AW, plaatsgevonden op 14 juli 2016. Appellant werd vertegenwoordigd door C. Weibolt,

A.F. Hesseling, mr. R. Duivenvoorde en mr. D. Çevik. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Vleesenbeek. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was sinds 1 september 1984 werkzaam bij de gemeente Rotterdam, laatstelijk in de functie van [Naam functie A] op het [naam park] ( [park] ). In het bijbehorende functieprofiel is vermeld dat gewerkt dient te worden volgens de

Roteb-richtlijnen en -procedures.

1.2.

Naar aanleiding van signalen over het verdwijnen van goederen op het [park] bestemd voor de [naam winkel] , is namens appellant op 18 juni 2013 opdracht gegeven tot het instellen van een onderzoek. Blijkens het op 3 september 2013 opgestelde onderzoeksrapport (rapport) zijn over de periode van 1 juli 2013 tot en met 24 juli 2013 met beveiligingscamera’s camerabeelden gemaakt waarop is te zien dat betrokkene op 4, 12, 18, 20 en 23 juli 2013 goederen uit de [naam container] en uit kantoor meeneemt en in zijn nabij geparkeerde auto legt. Van het rapport maakt voorts deel uit een gespreksverslag van het gesprek met betrokkene op 15 augustus 2013. In dat gesprek heeft betrokkene verklaard dat hij weleens iets heeft meegenomen, waarbij hij boeken en cd’s heeft genoemd. Voorts heeft betrokkene verklaard dat zijn leidinggevende S weleens heeft verteld dat hij geen spullen mocht meenemen van het park.

1.3.

Op 22 oktober 2013 is met betrokkene, in aanwezigheid van manager milieuparken H en HR-adviseur W, een verantwoordingsgesprek gehouden waarbij betrokkene zijn zienswijze op het rapport heeft gegeven.

1.4.

Nadat appellant het voornemen daartoe bekend had gemaakt en betrokkene op

16 januari 2014 zijn zienswijze naar voren had gebracht, heeft appellant bij besluit van

24 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 oktober 2014 (bestreden besluit), aan betrokkene wegens plichtsverzuim - het wegnemen van goederen van het [park] - de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij is overwogen dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het hem verweten gedrag, dat dit is aan te merken als plichtsverzuim en dat dit plichtsverzuim hem kan worden toegerekend, zodat appellant bevoegd was betrokkene disciplinair te straffen. Het onvoorwaardelijk ontslag wordt echter niet evenredig geacht aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim. De rechtbank heeft zelf voorzien door het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat het strafontslag voorwaardelijk wordt opgelegd, in die zin dat het strafontslag niet ten uitvoer zal worden gelegd indien betrokkene zich gedurende een periode van drie jaar niet opnieuw schuldig maakt aan een soortgelijk plichtsverzuim, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim.

3.1.

Het hoger beroep van appellant strekt ertoe dat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd en dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond wordt verklaard. Appellant stelt zich op het standpunt dat de opgelegde disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag wel evenredig is aan de aard en de ernst van het plichtsverzuim.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van plichtsverzuim. Voorts heeft betrokkene aangevoerd dat appellant bij zijn ontslag onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) gelden in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels die in het strafrecht van toepassing zijn. Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven, is wel noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2.

Uit het rapport blijkt dat door bewakingscamera’s op het [park] in de periode van

1 juli 2013 tot en met 24 juli 2013 is geregistreerd dat betrokkene op meerdere dagen met goederen vanuit de [naam container] of uit kantoor naar buiten komt en deze goederen in zijn auto legt. Betrokkene heeft tijdens een gesprek met de onderzoekers op

15 augustus 2013 verklaard boeken en cd’s te hebben meegenomen.

4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het wegnemen van goederen die aan de gemeente toebehoren, waaronder in elk geval boeken en cd’s.

4.4.

Het betoog van betrokkene dat geen sprake is van plichtsverzuim omdat hij niet kon weten dat hij deze goederen niet mocht meenemen en hem slechts duidelijk is gemaakt dat hij niet mocht handelen in goederen die op het [park] zijn afgegeven en geen fooien mocht aannemen, slaagt op grond van het hierna volgende niet.

4.5.

Appellant heeft gewezen op artikel 115, eerste lid, onder a en d, van de Verordening tot regeling van de rechtstoestand van ambtenaren der gemeente Rotterdam op grond waarvan het de ambtenaar verboden is rechtstreeks of zijdelings deel te nemen aan of enig voordeel te trekken uit aannemingen of leveringen ten behoeve van de gemeente of van een gemeentelijke instelling of het ten eigen bate aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken.

4.6.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant sinds 2006 extra aandacht besteedde aan het belang van integriteit van medewerkers. Appellant volgde daartoe een actief en gericht beleid, waarvan deel uitmaakte het terugdringen van diefstal op de werkvloer en het gebruik van camera’s voor dit doel. Betrokkene heeft in 2006 ook een ambtseed afgelegd. Hij heeft op

21 maart 2012 voorts deelgenomen aan een zogenoemde toolboxbijeenkomst, waarbij naar aanleiding van eerdere incidenten de integriteit van medewerkers bij het innemen van goederen aan de orde is gekomen. Appellant heeft verder gewezen op het van toepassing zijnde integriteitsprotocol van Roteb waarin is beschreven dat het verboden is om ingeleverde goederen en materialen aan te wenden voor persoonlijk gewin. Voorts beschikte appellant over kenbare werkinstructies voor medewerkers en huisregels voor bezoekers. Dat in de huisregels uitdrukkelijk is beschreven dat het meenemen van goederen in welke vorm of staat dan ook als diefstal wordt gezien en in de werkinstructie niet, ontslaat betrokkene niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om de goederen die toebehoren aan de gemeente op het terrein te laten. Niet valt in te zien dat het meenemen van goederen door een medewerker niet als diefstal dient te worden gezien. Het enkele gegeven dat betrokkene een factuur van

3 februari 2012 heeft overgelegd van de aankoop van een wasmachine uit de [naam winkel] is onvoldoende ter onderbouwing van zijn stelling dat het was toegestaan om goederen mee te nemen indien deze nauwelijks waarde hadden. Betrokkene is voorts door teamleider S en meewerkend voorman L meerdere malen gewaarschuwd en gewezen op bewakingscamera’s die met dit doel op het [park] hingen.

4.7.

Gelet op het door appellant gehanteerde en actief uitgedragen beleid en de door de leidinggevenden gegeven waarschuwingen, had het voor betrokkene duidelijk moeten zijn dat hij geen goederen uit de [naam container] mocht meenemen. Appellant heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat de regels duidelijk waren voor iedereen, ongeacht het opleidingsniveau. Appellant heeft in het opleidingsniveau van betrokkene voorts geen aanleiding hoeven zien om hem (formeel) te waarschuwen alvorens tot de disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag over te gaan. Dat de meegenomen goederen volgens betrokkene niet van (grote) waarde zijn, maakt, nog daargelaten dat hij geen volledige opening van zaken heeft gegeven over de meegenomen goederen, het voorgaande niet anders. Leidinggevende H heeft ter zitting verklaard dat niets mocht worden meegenomen door medewerkers, dat dit bij medewerkers bekend was en dat hij eind juli 2013, vanwege het onderzoek, aanleiding zag dit opnieuw te benadrukken.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim door zich niet te gedragen zoals van een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden mocht worden verwacht. Niet gebleken is van omstandigheden als gevolg waarvan het plichtsverzuim hem niet is toe te rekenen. Appellant was daarom bevoegd een disciplinaire maatregel op te leggen.

4.9.

Anders dan de rechtbank en betrokkene is de Raad van oordeel dat de opgelegde disciplinaire maatregel van ontslag op zichzelf niet onevenredig is. Dat oordeel wordt niet anders doordat, zoals betrokkene heeft aangevoerd, binnen het [park] een cultuur onder medewerkers bestond waarbij het meenemen van goederen van het [park] tot op zekere hoogte gebruikelijk was. Er was immers een duidelijk kenbaar verbod voor medewerkers om spullen mee te nemen en leidinggevenden S en H tolereerden dit niet. Dat leidinggevende S heeft verklaard geen medewerkers te hebben aangesproken op hun gedrag omdat door hem niet is geconstateerd dat er goederen zijn meegenomen, doet aan het voorgaande niet af. Appellant heeft voorts voldoende uiteengezet dat hij reeds eerder, in 2008, 2009 en 2011 disciplinaire maatregelen heeft getroffen jegens medewerkers die goederen meenamen van het [park] .

4.10.

Het betoog van betrokkene dat appellant onvoldoende voortvarend te werk is gegaan bij het verlenen van het disciplinair ontslag, slaagt evenmin. Na het onderzoek is betrokkene in de gelegenheid gesteld om te reageren op het rapport in een verantwoordingsgesprek op

22 oktober 2013. Na dit gesprek is aan hem in december 2013 een ontslagvoornemen bekendgemaakt, waarna op 24 maart 2013 het ontslagbesluit volgde.

4.11.

De Raad is wel van oordeel dat appellant niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat bij de straftoemeting consistent is gehandeld. Twee medewerkers (betrokkene en T) hebben een onvoorwaardelijk strafontslag gekregen, drie medewerkers een voorwaardelijk strafontslag en meewerkend voorman L heeft een waarschuwing gekregen en is teruggezet in functie. Tijdens het onderzoek is ten aanzien van alle zes personen komen vast te staan dat zij wel eens spullen van het [park] meenamen. Bij betrokkene en T is dit komen vast te staan op basis van zowel de camerabeelden als hun verklaringen, bij de drie medewerkers en L alleen op basis van hun verklaringen. Dit enkele feit is echter onvoldoende rechtvaardiging voor de, wat betreft de gevolgen, grote verschillen in straftoemeting. Overigens heeft de rechtbank de aan L opgelegde maatregel aangemerkt als een fout - “het (naar het zich laat aanzien) te licht bestraffen van L” - en geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat appellant die fout bij betrokkene moet herhalen. Ter zitting van de Raad is echter niet gebleken dat appellant de aan L opgelegde maatregel als een fout ziet.

4.12.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien. Appellant zal met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen een nieuw besluit op het bezwaar moeten nemen. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat een eventueel in te stellen beroep tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank zelf in de zaak heeft voorzien;

- draagt het college op een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze

uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

M.T. Boerlage als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) A. Stuut

HD