Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3432

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2016
Datum publicatie
16-09-2016
Zaaknummer
14/4203 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bijdrage van appellante op 29 september 2012 niet zodanig van aard is dat deze gekwalificeerd moet als strafwaardig plichtsverzuim. Uiteenlopende verklaringen, objectieve waarheid. Korpschef heeft niet aannemelijk gemaakt dat appellante gewaarschuwd is. Situatie als bijzonder geval zien, zodat tewerkstelling van appellante op een andere plaats in belang van de dienst was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4203 AW, 14/4204 AW, 14/4205 AW

Datum uitspraak: 15 september 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

17 juni 2014, 13/2509, 14/265 en 14/555 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.R. Hoendermis hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft aanvullende gronden ingediend en daarbij nadere stukken overgelegd.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2016. Appellante is verschenen, vergezeld door haar echtgenoot [naam echtgenoot] en bijgestaan door drs. L.A.M. Renfurm en M. Verhulst. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. I.I. Harbers-Schuitemaker en J.G.M. Westerveld.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als [naam functie A] van politie, laatstelijk bij de politieregio [regio] , Cluster [cluster] , team [team] . Appellante is ook woonachtig in [woonplaats] .

1.2.

In de loop van 2012 is er een conflict ontstaan tussen appellante en haar directe buren, de familie K-B, over het parkeergedrag van de taxichauffeur die het zoontje van de buren op schooldagen haalt en brengt en daarbij de uitrit van appellante blokkeert. Zowel het taxibedrijf als de buren hebben naar aanleiding van het door appellante bekeuren van de taxichauffeur vanwege foutief parkeren, klachten ingediend bij de dienstleiding van de politie te [woonplaats] . Na gesprekken met de dienstleiding heeft appellante de bekeuringen ingetrokken. Op enig moment zijn ook de bewoners van het naastvolgende pand, de familie K, betrokken geraakt bij het conflict tussen appellante en haar directe buren. Op 29 september 2012 vond er een incident plaats op de oprit van appellante tussen buurvrouw K en appellante en haar echtgenoot. Naar aanleiding daarvan heeft K zich gemeld bij het Bureau Interne Veiligheid (BIV) om aangifte te doen van bedreiging door appellante.

1.3.

Op 1 oktober 2012 is aan het BIV opdracht gegeven tot het instellen van een intern onderzoek naar het handelen van appellante.

1.4.

Op 21 oktober 2012 is appellante door ziekte arbeidsongeschikt geraakt.

1.5.

De bevindingen uit het onderzoek door het BIV zijn neergelegd in een rapport van

21 februari 2013. De door partijen afgelegde verklaringen zijn, in overleg met het Openbaar Ministerie, niet als verklaringen in een strafrechtelijke procedure ingezet, omdat op basis daarvan het ten laste leggen van bedreiging en/of belediging niet haalbaar werd geacht. Wel is met betrokkenen afgesproken dat de verklaringen bij het rapport zullen worden gevoegd. De conclusie van het rapport is dat appellante en haar echtgenoot en de families K-B en K in een sterk ontwrichte buurtsituatie verkeren waarbij ieder incident als een steen des aanstoots wordt ervaren. De rapporteurs zijn van mening dat appellante onvoldoende inziet dat een politiefunctionaris in dit soort omstandigheden ook rekening heeft te houden met de verplichtingen voortkomend uit het ambt. Met het uitschrijven van de bekeuringen misbruikt appellante naar het oordeel van de rapporteurs haar ambt om extra gewicht in de strijd te gooien, wat aangemerkt wordt als plichtsverzuim. Met betrekking tot de verbaal uitgevochten incidenten (de Raad begrijpt dat hier wordt gedoeld op het incident op 29 september 2012) is het volgens de rapporteurs lastig om tot vaststelling van de objectieve waarheid te komen omdat de verklaringen te veel uiteenlopen.

1.6.

Bij besluit van 19 juli 2013, genomen namens de korpschef door de politiechef van Eenheid Oost-Nederland, is aan appellante de disciplinaire straf van schriftelijke berisping opgelegd, als bedoeld in artikel 77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellante de escalatie met K op 29 september 2012 niet heeft voorkomen en dat zij actief aan de ruzie heeft deelgenomen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 januari 2014 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.

1.7.

Bij besluit van 14 oktober 2013 heeft de korpschef appellante met toepassing van

artikel 64 van het Barp in het belang van de dienst met ingang van 1 oktober 2013 overgeplaatst naar Cluster West, team [plaatsnaam] , waarbij de functie ongewijzigd is gebleven en de feitelijke ingangsdatum de datum is waarop appellante volledig is hersteld. Het tegen dit besluit gerichte bezwaar is bij besluit van 11 februari 2014 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd omdat het onbevoegd is genomen. Uit het geldende mandaatregister blijkt dat niet de politiechef maar de korpschef bevoegd is een dergelijk besluit te nemen. De rechtbank heeft vervolgens in verband met de bekrachtiging van dit besluit door de korpschef aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daartoe heeft de rechtbank mede overwogen dat op politiefunctionarissen, gegeven de aard van hun werk, een bijzondere verantwoordelijkheid rust en dat zij een voorbeeldfunctie hebben. De korpschef heeft volgens de rechtbank in het bestreden besluit terecht overwogen dat gedragingen in de privésfeer hun weerslag kunnen hebben op het aanzien en de geloofwaardigheid van de politie als zodanig. Gelet op de eigen verklaringen van appellante is de rechtbank van oordeel dat appellante zich op 29 september 2012 in een woordenwisseling heeft gemengd en daaraan actief heeft bijgedragen op een wijze die niet past in een strategie van de-escalatie. Appellante heeft zich daarmee niet gedragen zoals het een goed politieambtenaar betaamt. Het aanzien van de politie is door deze handelwijze aangetast. Appellante heeft zich met haar handelwijze schuldig gemaakt aan plichtsverzuim. Van omstandigheden op grond waarvan dit plichtsverzuim niet aan haar kan worden toegerekend is niet gebleken, zodat de korpschef bevoegd was appellante een sanctie op te leggen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de straf van schriftelijke berisping in dit geval passend en niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de verweten gedraging.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de korpschef in deze situatie een bijzonder geval zien, waarin overeenkomstig artikel 64 van het BARP het belang van de dienst tewerkstelling van appellante op een andere plaats vorderde. Ter zitting heeft de korpschef het bestreden besluit in zoverre gewijzigd dat een jaar na het volledig herstel van appellante wordt beoordeeld of terugplaatsing naar [woonplaats] mogelijk is. De rechtbank achtte de door de korpschef genoemde termijn van herbeoordeling niet onredelijk.

2.3.

Tot slot heeft de rechtbank gelet op de vernietiging van bestreden besluit 1 bepalingen gegeven over de vergoeding van griffierecht en proceskosten voor verleende rechtsbijstand in beroep aan appellante.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Berisping

4.1.

De berisping van appellante is gebaseerd op en beperkt tot haar deelname aan het incident op 29 september 2012, als beschreven in het rapport van 21 februari 2013.

4.2.

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de bijdrage van appellante aan de woordenwisseling met K op 29 september 2012, zoals deze naar voren komt uit de stukken en uit het onderzoek ter zitting van de Raad, niet zodanig van aard was dat deze moet worden gekwalificeerd als strafwaardig plichtsverzuim. Bij dit oordeel is van belang dat, zoals blijkt uit het rapport van 21 februari 2013, de afgelegde verklaringen over dit incident zodanig uiteenlopen dat de objectieve waarheid over wat precies en door wie is gezegd niet kon worden vastgesteld. Zoals ter zitting namens de korpschef is bevestigd, wordt appellante niet verweten dat zij toen met stemverheffing zou hebben gesproken dan wel zou hebben gescholden. Het was wellicht verstandiger geweest als appellante zich geheel buiten de woordenwisseling tussen haar echtgenoot en K zou hebben gehouden, maar - uitgaande van haar eigen verklaringen hierover - kan haar niet worden verweten dat zij niet heeft voorkomen dat de situatie op 29 september 2012 opnieuw is geëscaleerd en aan de woordenwisseling heeft deelgenomen op een wijze die niet past in een strategie van de-escalatie, nog daargelaten wat die strategie dan zou moeten zijn. Appellante heeft betwist dat zij in de gesprekken in

juli 2012 over de door haar uitgeschreven bekeuringen is gewaarschuwd dat zij escalatie van het conflict met haar buren moest vermijden en de korpschef heeft dit niet aannemelijk gemaakt.

4.3.

Nu niet kan worden gesproken van strafwaardig plichtsverzuim was de korpschef niet bevoegd om appellante een disciplinaire straf op te leggen. De rechtbank heeft dit niet onderkend en ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 januari 2014 in stand gelaten. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en het besluit van 19 juli 2013 herroepen.

Overplaatsing

4.4.

Ingevolge het eerste lid van artikel 64 van het Barp, voor zover hier relevant, is de ambtenaar verplicht, indien het belang van de dienst dit in bijzondere gevallen vordert, zijn functie op een andere dan de hem aangewezen plaats van tewerkstelling of binnen een ander dan het hem aanwezen werkgebied uit te oefenen, mits dit redelijk is in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en vooruitzichten.

4.5.

Ook voor de Raad is aannemelijk geworden dat de relatie met de andere collega’s uit het team door alle gebeurtenissen onder spanning is komen te staan en dat de afhandeling van de aangiftes in verband met de, ook na 29 september 2012 voortdurende problemen tussen appellante en haar buren, druk legt op die collega’s. Evenals de rechtbank kan de Raad de korpschef volgen in zijn stelling dat de verplaatsing van appellante naar [plaatsnaam] die spanning binnen het team kan wegnemen en in ieder geval maakt dat directe collega’s niet meer beroepsmatig betrokken hoeven te raken bij conflicten die appellante, als collega in

hetzelfde team, in de privésfeer heeft. De korpschef mocht in deze situatie dan ook een bijzonder geval zien, waarin overeenkomstig artikel 64 van het Barp het belang van de dienst tewerkstelling van appellante op een andere plaats vorderde. Niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan de korpschef niet in redelijkheid tot het opdragen van de functie in [plaatsnaam] kon komen. Dat de Raad het aan appellante verweten gedrag op

29 september 2012 niet als plichtsverzuim aanmerkt, maakt dit oordeel niet anders. De Raad onderschrijft ook hetgeen de rechtbank heeft geoordeeld over het moment van herbeoordeling van de overplaatsing. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

5. Er bestaat aanleiding de korpschef te veroordelen tot vergoeding van de kosten van appellante voor verleende rechtsbijstand, in bezwaar tot een bedrag van € 992,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 992,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarin is bepaald dat de rechtsgevolgen van

het vernietigde besluit van 9 januari 2014 geheel in stand blijven;

- herroept het besluit van 19 juli 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats

treedt van het vernietigde besluit van 9 januari 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor het overige;

- bepaalt dat de korpschef aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 246,-

vergoedt;

- veroordeelt de korpschef in de kosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van

L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) L.V. van Donk

HD