Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3379

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
14/6273 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:9164, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ZW-uitkering. Voldoende zorgvuldig onderzoek. Voldoende aandacht besteed aan de psychische klachten, de schildklierproblemen, de gynaecologische klachten en de hand-, arm- en schouderproblemen. Het geheel van alle medische stukken beschouwend, wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat het Uwv appellante terecht in staat heeft geacht tot het verrichten van haar werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0950
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6273 ZW

Datum uitspraak: 14 september 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

13 november 2014, 14/2942 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nog stukken toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. R.A. Kneefel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is werkzaam geweest als tuinbouwmedewerkster voor ongeveer 40 uur per week. Zij ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toen zij zich op
21 november 2005 ziek meldde wegens lichamelijke en psychische klachten. Een verzekeringsarts heeft appellante tijdens zijn spreekuur op 5 juli 2007 hersteld verklaard voor haar werk. Bij besluit van 16 augustus 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat zij de wachttijd niet heeft volgemaakt. Op 3 maart 2008 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld. Zij ontving op dat moment een WW-uitkering. Tijdens zijn spreekuur van

27 maart 2008 heeft een verzekeringsarts appellante per 28 maart 2008 hersteld verklaard voor haar werk.

1.2.

Tijdens procedures over besluiten van het Uwv om niet terug te komen van de weigeringen ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) te verstrekken per 7 juli 2007 en
28 maart 2008 heeft het Uwv zich bereid verklaard te bekijken in hoeverre sprake is van arbeidsongeschiktheid in de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008 die rechtvaardigt om ziekengeld te verstrekken na 28 maart 2008. Met een brief van
9 januari 2014 heeft de gemachtigde van appellante de medische adstructie a5 van Instituut Psychosofia ingezonden en de medische informatie van de artsen bij wie appellante onder behandeling is geweest.

1.3.

Een stafverzekeringsarts heeft kennis genomen van alle door de gemachtigde van appellante ingezonden stukken, van het volledige claimdossier en het volledige medische dossier van appellante, zoals dat bij het Uwv is gearchiveerd. Onder verwijzing naar een rapport van een aan het Uwv verbonden arts van 12 april 2013 heeft de stafverzekeringsarts in zijn rapport van 27 januari 2014 geconcludeerd dat er geen medische objectieve gegevens zijn op grond waarvan arbeidsongeschiktheid in het kader van de ZW in de periode van
29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008 is aangetoond als rechtstreeks en objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, die een heropening of toekenning van ziekengeld na
28 maart 2008 zouden rechtvaardigen. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van

28 januari 2014 vastgesteld dat geen recht bestaat op ziekengeld over de periode van

29 maart 2008 tot 6 oktober 2008. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Tijdens de hoorzitting was een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwezig, die in een rapport van 3 april 2014 de conclusie van de stafverzekeringsarts heeft onderschreven. Het Uwv heeft vervolgens bij besluit van 9 april 2014 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, omdat het Uwv appellante terecht over de periode van 29 maart 2008 tot en met
6 oktober 2008 in staat heeft geacht tot het verrichten van haar arbeid. Naar het oordeel van de rechtbank ligt aan het bestreden besluit een voldoende zorgvuldig onderzoek ten grondslag en kan de onderbouwing van het bestreden besluit de getrokken conclusie dragen. De rechtbank heeft specifiek aandacht besteed aan de psychische klachten, de schildklierproblemen, de gynaecologische klachten en de hand-, arm- en schouderproblemen.

3.1.

Appellante heeft in een zeer uitvoerig gemotiveerd aanvullend beroepschrift het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte haar beroep ongegrond heeft verklaard. Zij heeft gevraagd om vernietiging van de aangevallen uitspraak.

3.2.

In een al even uitvoerig gemotiveerd verweerschrift heeft het Uwv inhoudelijk gereageerd op alle door appellante aangevoerde argumenten en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad heeft het volgende overwogen.

4.1.

De inhoud van het door het Uwv ingediende verweerschrift wordt onderschreven. Vastgesteld wordt dat daarmee op alle punten uit het aanvullend hogerberoepschrift van appellante een voldoende en inhoudelijk juiste reactie is gegeven. Naar aanleiding van de behandeling ter zitting wordt daaraan nog het volgende toegevoegd.

4.2.1.

In dit geding zijn partijen het niet eens over het antwoord op de vraag of appellante in de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008 in staat was haar werk als tuinbouwmedewerkster te verrichten.

4.2.2.

De stafverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 27 januari 2014 uiteengezet welke taken een tuinbouwmedewerkster verricht en wat de belasting in die functie is. In het dossier bevinden zich geen gegevens op grond waarvan getwijfeld kan worden aan de juistheid van deze weergave.

4.2.3.

Het standpunt van appellante en haar medisch adviseur dat niet naar elke aandoening afzonderlijk moet worden gekeken, maar naar het volledige beeld wordt onderschreven, evenals het standpunt dat objectieve medische gegevens afkomstig van een datum na
6 oktober 2008 betrokken kunnen worden bij de beantwoording van de in dit geding voorliggende vraag. Het moet dan wel gaan om objectieve medische gegevens die betrekking hebben of betrokken kunnen worden op de periode van 29 maart 2008 tot en met
6 oktober 2008. Hetzelfde geldt ook voor objectieve medische gegevens van een datum voor 29 maart 2008.

4.2.4.

Appellante en haar medisch adviseur hebben het standpunt ingenomen dat het psychiatrisch beeld ernstiger is dan de artsen van het Uwv aannemen. De medisch adviseur heeft daarvoor verwezen naar de twee brieven van psychiater Y. Güzelcan. In zijn brief van 12 januari 2011 zou Güzelcan een ernstiger diagnose en een lagere GAF-score hebben vermeld dan in zijn brief van 18 maart 2010. Aan deze objectieve medische informatie zijn het Uwv en de rechtbank terecht voorbijgegaan. Een verslechtering in de psychische toestand van appellante in de periode van 18 maart 2010 tot 12 januari 2011 kan niets zeggen over de psychische toestand in de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008. Appellante was in die laatste periode niet onder behandeling en Güzelcan heeft zich ook, terecht, niet uitgelaten over de psychische situatie van appellante in de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008. Appellante heeft voor haar standpunt steun gevonden in de omstandigheden dat de medicatie voor haar psychische problemen op 22 januari 2008 moest worden uitgebreid, dat op 26 maart 2008 de huisarts vond dat zij opnieuw moest worden aangemeld bij de Riagg en dat een GZ-psycholoog in een rapport van 26 november 2008 heeft gemeld dat zij op dat moment niet volledig belastbaar was en dat stapsgewijs uitbreiding van werkzaamheden zou moeten plaatsvinden. Naast deze omstandigheden zijn tevens de navolgende omstandigheden van belang. Appellante is in januari 2006 verwezen naar de Riagg. De Riagg heeft in februari 2006 de diagnose gesteld van een aanpassingsstoornis met gemengd angstige en depressieve stemming. De verzekeringsarts, die appellante hersteld heeft verklaard op zijn spreekuur van 5 juli 2007 had de beschikking over deze informatie en heeft tijdens dat spreekuur appellante onder meer uitgebreid psychisch onderzocht. Dezelfde arts heeft appellante gezien en onderzocht op zijn spreekuur van 27 maart 2008. Hij heeft toen geconstateerd dat appellante nog steeds dezelfde klachten had als op 5 juli 2007. Na de constatering door de huisarts op 26 maart 2008 dat appellante opnieuw moest worden aangemeld bij de Riagg heeft het tot eind 2009 geduurd voordat appellante zich opnieuw heeft aangemeld bij de Riagg. Uit een brief van 14 december 2009 van de Riagg blijkt dat op dat moment dezelfde diagnose is gesteld als in 2006. Het Uwv heeft, gelet op de van belang zijnde stukken in het dossier met betrekking tot de psychische toestand van appellante, in onderlinge samenhang bezien, terecht het standpunt ingenomen dat niet van een verslechterde psychische toestand in de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008 kan worden gesproken.

4.2.5.

Appellante claimt ongeschiktheid op grond van klachten aan

linkerhand, -arm en -schouder. Al in 2007 was de arts van het Uwv bekend met deze klachten. Bij het lichamelijk onderzoek op 5 juli 2007 heeft de arts geen afwijkingen gevonden bij het onderzoek van de nek. De huisarts heeft op de medische kaart op 30 mei 2007 aangetekend dat sprake is van myalgie van de nek, maar in de brief van de huisarts aan de verzekeringsarts van 21 juni 2007 wordt dit door de huisarts niet genoemd. Zoals blijkt uit de huisartsenkaart is na 30 mei 2007 geen melding gemaakt van nek-, arm- of handklachten tot 25 september 2008, als appellante wordt verwezen naar de neuroloog voor dergelijke klachten. De neuroloog heeft na onderzoek geconstateerd dat bij appellante mogelijk sprake is van een CTS, maar voor het gehele klachtenpatroon heeft de neuroloog geen verklaring. Daarmee staat dus niet vast dat de klachten een objectief en rechtstreeks gevolg zijn van een CTS. De neuroloog heeft geen ingreep voorgesteld, maar wel het dragen van een spalk voorgeschreven. De stafverzekeringsarts heeft terecht opgemerkt dat niet relevant is of het dragen van een spalk belemmerend werkt, omdat het (eventueel) dragen van de spalk buiten de periode in geding valt.

4.2.6.

Betreffende de overige fysieke klachten wordt het volgende overwogen. Appellante is in maart 2008 voor haar schildklierklachten behandeld met radioactief jodium en in

september 2008 zijn geen aanwijzingen meer gevonden voor hyperthyreoïdie. Uit de informatie van de behandelend gynaecologe kan worden opgemaakt dat appellante in april 2006 een laparoscopische ingreep heeft ondergaan, waarbij onder meer een eierstok is verwijderd. Een op dat moment aanwezig myoom is niet verwijderd en veroorzaakt buikpijn. Dit gegeven was bekend bij de arts die appellante op 5 juli 2007 en 27 maart 2008 op zijn spreekuur heeft gezien. Deze arts heeft hierin geen aanleiding gezien appellante niet geschikt voor haar werk te achten. Uit de latere brieven van de gynaecoloog blijkt niet van een andere aandoening.

4.2.7.

Het geheel van alle medische stukken beschouwend, en onder verwijzing naar de overwegingen in 4.2.4 tot en met 4.2.6, wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat het Uwv appellante terecht in de periode van 29 maart 2008 tot en met 6 oktober 2008 in staat heeft geacht tot het verrichten van haar werk.

5. De overweging in 4.2.7 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en
W.E. Doolaard als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra

NK