Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3378

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2016
Datum publicatie
15-09-2016
Zaaknummer
14/6238 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Zorginstituut hen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie, hebben appellanten dat ter zitting ingetrokken (ECLI:NL:CRVB:2013:1418). De keuze van de wetgever om de bestuursrechtelijke premie uit te zonderen van beroep bij de bestuursrechter, maakt niet dat appellanten in het geheel geen toegang tot de rechter hebben. De door appellanten aangevoerde omstandigheden vormen geen reden op grond waarvan het Zorginstituut had moeten afzien van zijn bevoegdheid om de verschuldigde premie tot het volledige bedrag te laten inhouden op de inkomsten van appellanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2016/223

Uitspraak

14/6238, 16/1327, 16/1328 en 16/1329 ZVW

Datum uitspraak: 14 september 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 oktober 2014, 13/4916, 13/7045, 13/7046 en 13/7068 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant 1], [appellant 2], [appellant 3] en [appellant 4] (appellanten)

Zorginstituut Nederland (Zorginstituut) als rechtsopvolger van het College voor zorgverzekeringen (Cvz)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet cliëntenrechten zorg en andere wetten in verband met de taken en bevoegdheden op het gebied van de kwaliteit van de zorg (Stb. 2013, 578) oefent het Zorginstituut de bevoegdheden uit die voorheen door Cvz werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder het Zorginstituut mede verstaan Cvz.

Namens appellanten heeft mr. E.S. Grimminck, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorginstituut heeft een verweerschrift ingediend.

Het Zorginstituut heeft nadere stukken ingediend in de zaken van appellanten [appellant 1] en [appellant 4].

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Namens appellanten is mr. Grimminck verschenen. Het Zorginstituut heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.M. Nijman en mr. M. Mulder.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

De zorgverzekeraars van appellanten hebben op grond van het bepaalde in artikel 18c, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet (Zvw) aan het Zorginstituut gemeld dat de onderscheiden appellanten een betalingsachterstand hadden van zes of meer maandpremies.

1.2.

Het Zorginstituut heeft in aansluiting op deze melding bestuursrechtelijke premie geheven van appellanten en deze geïnd door de inhoudingsplichtigen op grond van het bepaalde in artikel 18f, tweede lid, van de Zvw op te dragen de bestuursrechtelijke premie in te houden op de door hen aan appellanten verschuldigde betalingen.

[appellant 1] (zaak 14/6238)

1.3.1.1. Bij besluit van 20 augustus 2010 heeft het Zorginstituut bepaald dat appellant [appellant 1] een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is vanaf augustus 2010. Het Zorginstituut heeft bij besluit van december 2012 de hoogte van de met ingang van januari 2013 te heffen en in te houden premie vastgesteld op € 160,12 per maand. Bij besluit van 19 juli 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet-ontvankelijk verklaard en overigens het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.1.2. Bij vonnis van de kantonrechter van de rechtbank te Amsterdam van 11 februari 2014 (CV 12-36237) heeft de kantonrechter het Zorginstituut veroordeeld de invordering van een bedrag hoger dan de standaardpremie te staken en gestaakt te houden, zodra appellant [appellant 1] zich bereid heeft verklaard zijn schuld aan zijn zorgverzekeraar af te lossen met een bedrag van minimaal € 25,- per maand en zolang dit bedrag wordt betaald. Tegen dit vonnis heeft het Zorginstituut hoger beroep ingesteld. Met ingang van 1 maart 2014 heeft de zorgverzekeraar appellant afgemeld als wanbetaler en het Zorginstituut heeft een eindafrekening opgemaakt.

[appellant 2] (16/1327)

1.3.2.

Bij besluit van 1 maart 2011 heeft het Zorginstituut bepaald dat appellante [appellant 2] een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is vanaf maart 2011. Het Zorginstituut heeft de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam opgedragen de bestuursrechtelijke premie in te houden op het inkomen van appellante. Uit de uitkeringsspecificatie van 24 januari 2013 die appellante van DWI heeft ontvangen, volgt dat een bedrag van € 160,12 als bestuursrechtelijke premie op haar bijstandsuitkering over januari 2013 is ingehouden. Bij besluit van 23 oktober 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de verschuldigdheid en hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet-ontvankelijk verklaard en overigens het bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant 3] (16/1328)

1.3.3.

Bij besluit van 17 januari 2012 heeft het Zorginstituut bepaald dat appellant [appellant 3] een bestuursrechtelijke premie verschuldigd is vanaf februari 2012. Bij besluit van december 2012 heeft het Zorginstituut de hoogte van de met ingang van januari 2013 te heffen en in te houden premie vastgesteld op € 160,12 per maand. Bij besluit van 23 oktober 2013 (bestreden besluit 3) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet-ontvankelijk verklaard en overigens het bezwaar ongegrond verklaard.

[appellant 4] (16/1329)

1.3.4.

Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het Zorginstituut bepaald dat appellant [appellant 4] een bestuursrechtelijke premie van € 160,12 per maand verschuldigd is vanaf mei 2013. Deze premie zal worden ingehouden op zijn inkomsten. Uit de uitkeringsspecificatie van

25 mei 2013 die appellant [appellant 4] van DWI heeft ontvangen, volgt dat het bedrag van € 160,12 als bestuursrechtelijke premie op zijn bijstandsuitkering over mei 2013 is ingehouden en dat er daarnaast op zijn uitkering een bedrag in mindering is gebracht met de omschrijving “Terugvordering/verhaal/civiel/boete” waarna een nettobetaling resteerde van € 672,72. Bij besluit van 23 oktober 2013 (bestreden besluit 4) heeft het Zorginstituut het bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2013 tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie niet-ontvankelijk verklaard en overigens het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 4 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft over de niet-ontvankelijk verklaring van de bezwaren van appellanten tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke overwogen dat artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met onderdeel H, sub 4, van de bijlage bij de Awb, onderscheidenlijk artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, besluiten betreffende de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie of de hoogte daarvan uitsluit van beroep bij de bestuursrechter. Appellanten kunnen zich voor een dergelijk geschil wenden tot de burgerlijke rechter. Een rechtsgang bij de burgerlijke rechter is niet in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Betreffende de wijze van inning van de bestuursrechtelijke premie heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 oktober 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY0437) en 27 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2471) overwogen dat de beslagvrije voet hierbij niet betrokken hoeft te worden.

3. In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd dat de bestuursrechtelijke rechtsgang wel openstaat tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie, zodat hun bezwaren hiertegen ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard. Appellanten hebben daarbij een aantal gronden, gericht tegen de verschuldigdheid en de hoogte van de bestuursrechtelijke premie aangevoerd. Wat betreft de wijze van inning hebben zij aangevoerd dat titel 4.4 van de Awb (Bestuursrechtelijke geldschulden) geschonden is. Door de broninhouding van 130% van de standaardpremie zonder rekening te houden met de beslagvrije voet, worden volgens appellanten hun financiële problemen vergroot en bestaat geen perspectief op verbetering van hun financiële situatie.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar de uitspraak van de rechtbank.

4.2.

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het Zorginstituut hen terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in hun bezwaar tegen de verschuldigdheid van de bestuursrechtelijke premie, hebben appellanten dat ter zitting ingetrokken.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de keuze van de wetgever om de bestuursrechtelijke premie uit te zonderen van beroep bij de bestuursrechter, niet maakt dat appellanten in het geheel geen toegang tot de rechter hebben. Voor zover appellanten zich verzetten tegen de vaststelling van de hoogte van deze premie en het gestelde punitieve karakter van een deel daarvan, staat het hen vrij hieromtrent een vordering bij de burgerlijke rechter in te stellen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 14 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1418.

4.4.

Onder verwijzing naar de hiervoor onder 2 genoemde uitspraken van de Raad, overweegt de Raad dat hij wel bevoegd is te oordelen over de wijze waarop het Zorginstituut gebruik maakt van de in artikel 18f van de Zvw neergelegde bevoegdheid om de bestuursrechtelijke premie te innen.

4.5.

Artikel 18f van de Zvw geeft het Zorginstituut de wettelijke grondslag aan een inhoudingsplichtige opdracht te geven om de bestuursrechtelijke premie geheel of gedeeltelijk in te houden op het door hem aan de verzekeringnemer verschuldigde loon. Deze regeling van de broninhouding is een bijzondere regeling in het kader van de heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie en niet geregeld in titel 4.4 van de Awb. In zoverre is van schending van de bepalingen in de Awb, waarbij appellanten specifiek verwezen hebben naar afdeling 4.4.4 van de Awb, waarin regels zijn opgenomen over de aanmaning en vervolgens invordering bij dwangbevel van geldschulden, geen sprake.

4.6.

Het Zorginstituut heeft opdracht gegeven bestuursrechtelijke premies ten bedrage van € 160,12 in te houden. Appellanten [appellant 1], [appellant 2] en [appellant 3] hebben in algemene bewoordingen gesteld dat de inhouding van een dergelijk bedrag hun financiële problemen vergroot maar zij hebben niet onderbouwd dat en in hoeverre hun maandelijks besteedbaar inkomen als gevolg van deze inhouding zou dalen tot onder de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor zover het besteedbaar inkomen van appellant [appellant 4] door het gezamenlijke bedrag van de broninhouding en het in mindering brengen van andere bedragen zou dalen beneden de beslagvrije voet dient hij zich te wenden tot het college van burgemeester en wethouders. Dit college dient rekening te houden met de beslagvrije voet en niet het Zorginstituut. De door appellanten aangevoerde omstandigheden vormen dan ook geen reden op grond waarvan het Zorginstituut had moeten afzien van zijn bevoegdheid om de verschuldigde premie tot het volledige bedrag te laten inhouden op de inkomsten van appellanten.

4.7.

Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en L.M. Tobé en N.R. Docter als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2016.

(getekend) J.P.A. Boersma

De griffier is verhinderd om te ondertekenen.

TM