Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3258

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
14/5582 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Aangetroffen contanten toe te rekenen aan vermogen van appellante. Vermogensgrens al eerder bereikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5582 WWB

Datum uitspraak: 30 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

26 augustus 2014, 14/1353 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J. Perrels, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Perrels. Voorts zijn verschenen de door appellante meegebrachte getuigen [naam getuige A] ([A]) en [naam getuige B] ([B]), alsmede G.J.J. de Vries als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Kikkert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 10 november 1999 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van bij het college binnengekomen informatie van de Sociale Recherche van de gemeente Almere dat de politie op 6 maart 2012 tijdens een huiszoeking in de woning van appellante een grote hoeveelheid contanten heeft aangetroffen, bestaande uit euro’s, dollars, Afghaanse en Indiase valuta, heeft de Sociale Recherche van de gemeente Apeldoorn (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Hierbij is dossieronderzoek verricht en is appellante verschillende malen verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 6 juni 2013.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 25 juni 2013 de over de periode van 14 december 2006 tot en met 22 juni 2007 gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de WWB tot een bedrag van € 8.151,64 bruto van appellante teruggevorderd in verband met een door haar verkregen erfenis van haar vader ter hoogte van $ 22.000,- (omgerekend € 16.676,77). Daarnaast heeft het college de bijstand vanaf 6 maart 2012 ingetrokken en de over de periode van 6 maart 2012 tot en met 29 december 2012 en van 25 januari 2013 tot en met 30 april 2013 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 16.690,94 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat zij geen melding heeft gemaakt van het bezit van contanten ter hoogte van € 36.975,- waardoor zij vanaf 6 maart 2012 niet langer recht had op bijstand.

1.4.

Bij besluit van 20 januari 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2013 in zoverre gegrond verklaard dat de terugvordering over de periode van 14 december 2006 tot en met 22 juni 2007 wordt vastgesteld op een nettobedrag van

€ 6.316,77.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Periode van 14 december 2006 tot en met 22 juni 2007

4.1.

Appellante heeft aangevoerd dat over deze periode ten onrechte geen rekening is gehouden met de bij haar aanwezige schulden. Het was appellante niet duidelijk dat haar vermogen slechts met € 10.210,- mocht toenemen. Indien rekening wordt gehouden met haar schulden dan bedraagt de terugvordering over deze periode € 2.631,06.

4.2.

Niet in geding is dat appellante sinds 10 november 1999 onafgebroken bijstand heeft ontvangen van het college. Bij besluit van 17 oktober 2005 inzake de omzetting van de uitkering van appellante naar bijstand op grond van de WWB heeft het college na een herbeoordeling van het recht op bijstand het vermogen van appellante opnieuw vastgesteld en is het vrij te laten vermogen van appellante, rekening houdend met haar schulden van

€ 3.684,94, vastgesteld op € 10.210,-.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BH0415) valt bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen de ruimte voor vermogensaanwas (het bedrag waarmee het vermogen kan toenemen zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortzetting van de bijstand) samen met het wettelijk begrip vermogensgrens. Bij een aanvangsvermogen boven nihil maar beneden de vermogensgrens, is de vermogensruimte in bovenbedoelde zin te stellen op het verschil tussen de vermogensgrens en het bij aanvang van de bijstandsverlening vastgestelde positieve vermogen. Worden tijdens de bijstandsverlening middelen ontvangen die, bij een negatief of op nihil vastgesteld aanvangsvermogen, de vermogensgrens te boven gaan, dan staat het surplus boven de vermogensgrens aan voortzetting van de bijstand in de weg. Hetzelfde geldt indien middelen worden ontvangen die, bij een positief aanvangsvermogen beneden de vermogensgrens, het nog resterende vrij te laten bedrag van het vermogen te boven gaan.

4.4.

Gelet op 4.3 heeft het college bij de berekening van de terugvordering van de door appellante ontvangen erfenis terecht niet nogmaals rekening gehouden met het negatieve vermogen van appellante. Dat dit appellante niet duidelijk was doet hieraan niet af.

Periode vanaf 6 maart 2012

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat op 6 maart 2012 in de woning van appellante, naast de erfenis van $ 22.000,-, € 36.975,- aan contanten zijn aangetroffen. Evenmin is in geschil dat appellante daarvan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.6.

De aanwezigheid van een bedrag aan contanten in de woning van de betrokkene rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze contanten bestanddelen vormen van het vermogen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.7.

Appellante heeft zich aanvankelijk op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 11.700,- van het vermogen moet worden vrijgelaten omdat zij dit bedrag tijdens de bijstandsverlening heeft gespaard uit de door haar ontvangen bijstand, kinderbijslag, diverse toeslagen en teruggaven van de Belastingdienst. Ter zitting heeft appellante verklaard dat zij € 7.000,- van dit bedrag van haar kinderen heeft ontvangen. Het overige heeft zij gespaard uit twee teruggaven van de Belastingdienst.

4.8.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB worden spaargelden niet als vermogen in aanmerking genomen als deze zijn opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen.

4.9.

Volgens vaste rechtspraak inzake de toepassing van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de WWB (uitspraak van 13 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB7852) blijven spaargelden slechts dan bij de vermogensvaststelling buiten beschouwing indien de betrokkene aannemelijk maakt dat de besparingen tijdens de bijstandsverlening zijn gerealiseerd. Appellante is daarin niet geslaagd. Er is in het geheel geen directe relatie tussen de bankrekening waarop de van de Belastingdienst ontvangen bedragen zijn gestort, de door appellante na ontvangst hiervan van deze rekening gedane contante opnamen en de in de woning aangetroffen contanten. De verklaringen van appellante achteraf kunnen de besparing niet aannemelijk maken. Dat geldt evenzeer voor de overgelegde theoretische berekening aan de hand van de overgelegde bankafschriften. De beroepsgrond slaagt niet.

4.10.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante evenmin heeft aangetoond dat een bedrag van € 28.800,- van de in de woning van appellante aangetroffen contanten aan anderen toebehoort waardoor het ten onrechte tot haar vermogen is gerekend. Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet over het geld kon beschikken. De door appellante overgelegde verklaringen van [A] van 15 mei 2012, van [A] en [C] van 4 mei 2009 en de ongedateerde verklaringen van [B], waaruit is op te maken dat in december 2011 in Duitsland contant geld aan de schoonmoeder van appellante is overhandigd met de bedoeling dat zij dit geld zou meenemen naar Afghanistan om het aldaar aan familieleden te overhandigen ter aflossing van eerder gedane leningen, zijn niet als zodanig aan te merken. Dat geldt ook voor de ter zitting in hoger beroep door [A] als getuige afgelegde verklaring dat hij € 20.000,- van zichzelf heeft meegegeven en € 8.000,- van iemand anders en voor de door [B] als getuige afgelegde verklaring dat hij [A] € 8.000,- heeft gegeven met de bedoeling dat het aan de schoonmoeder van appellante zou worden meegegeven die het naar Afghanistan zou brengen. De Raad ziet geen aanleiding appellante in de gelegenheid te stellen alsnog het ter zitting door [A] gedane aanbod om een afschrift van zijn bankrekening, waaruit blijkt dat hij in december 2011 € 20.000,- van zijn bankrekening heeft opgenomen, over te leggen. Nog daargelaten dat dit bankafschrift niet op het gehele bedrag van € 28.800,- ziet en dat ook als een bedrag van € 28.800,- of € 20.000,- op het bij appellante aangetroffen vermogen van

€ 36.975,- in mindering zou moeten worden gebracht appellante op 6 maart 2012 nog steeds over een vermogen boven de vermogensgrens beschikte, is appellante ruimschoots in de gelegenheid geweest haar standpunt nader te onderbouwen. Dit geldt ook voor de stelling van de gemachtigde van appellante dat hij kan aantonen dat hij, na teruggave door de politie van het in beslag genomen geld, een resterend bedrag van € 15.000,- aan [A] heeft overgemaakt. Dat het bedrag van € 28.800,-, samen met de door appellante van haar vader ontvangen erfenis in een apart toilettasje onder het bed van appellante is aangetroffen, doet aan het vorenstaande niet af.

4.11.

Uit 4.10 volgt dat het bedrag van € 28.800,- terecht tot het vermogen van appellante is gerekend en dat appellante op 6 maart 2012 over een vermogen van € 36.975,- beschikte.

4.12.

Gelet op wat hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD