Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3257

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
12-09-2016
Zaaknummer
15/325 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Woonplaats niet in de gemeente. Boete, normale verwijtbaarheid. Rekening houden met oude regime 6% aflossingsvrije ruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/325 WWB

Datum uitspraak: 30 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

3 december 2014, 14/1568 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.H. van Dijck, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2016. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijck en [naam A] , een vriend van appellante. Het college heeft zich, eveneens opgeroepen, laten vertegenwoordigen door mr. P.E.C. Botman.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand sinds 22 september 2009 op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellante stond in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans Basisregistratie personen, ingeschreven op het adres [adres A] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van een medewerker van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Haarlem dat appellante met haar zoontje is aangetroffen in de woning van een bijstandontvanger in de gemeente Haarlem en dat zij heeft verklaard dat haar zoontje daar woont en zij hem daar bezoekt, heeft een klantmanager van het Beheersteam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de klantmanager onder meer bankafschriften bij appellante opgevraagd, appellante op 16 mei 2013 gehoord en aansluitend een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 juni 2013.

1.3.

Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 5 september 2013 de bijstand herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 15 april 2013 en de kosten van bijstand tot een bedrag van € 5.167,40 van appellante teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante door niet te melden dat zij niet feitelijk woonde op het uitkeringsadres, de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.4.

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft het college appellante een boete opgelegd van 100% van het benadelingsbedrag op de grond dat appellante de inlichtingenverplichting geschonden heeft door niet te melden dat zij gedurende de periode van 31 januari 2013 (lees: 1 oktober 2012) tot en met 15 april 2013 in Haarlem verbleef.

1.5.

Bij besluit van 12 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 5 september 2013 en 10 oktober 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover daarbij aan appellante een boete is opgelegd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven.

3. Bij besluit van 9 januari 2015 heeft het college de uit de aangevallen uitspraak voortvloeiende proceskostenvergoeding en de vergoeding van het betaalde griffierecht op grond van artikel 60a van de WWB verrekend met de vordering uit bijstand op appellante.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering

5.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 oktober 2012 tot en met 15 april 2013.

5.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

5.3.

De vraag waar iemand zijn woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt daarbij geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in de GBA. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

5.4.

Appellante heeft op 16 mei 2013 onder meer het volgende verklaard:

“In oktober 2012 heb ik mijn zoon gebracht naar mijn vriend in Haarlem. Met deze man had ik 3 jaar een relatie. Dit heb ik gedaan omdat ik een kamer had in [woonplaats] en dat was geen wenselijke situatie. […] U zegt mij dat u het vermoeden hebt dat ik vanaf het moment dat mijn zoon in Haarlem woont, ik daar ook ben. Dit klopt. Vanaf oktober 2012 ben ik vaker in Haarlem omdat ik mijn zoon als moeder niet alleen wil achterlaten. Ik wil het beste voor mijn kind en dat is niet in mijn kleine kamer in [woonplaats] . Mijn ex vriend is altijd goed voor hem geweest maar niet voor mij. Dat is de reden waarom ik en mijn zoon weer in [woonplaats] zijn komen wonen. […] Nu ik u heb gezegd dat ik van oktober 2012 tot 17 april 2013 vaker in Haarlem was dan [woonplaats] en daar heb samengewoond met mijn ex vriend, heb ik de sociale dienst [woonplaats] benadeeld. Ik had een uitkering moeten aanvragen in de gemeente Haarlem. Dit heeft u mij uitgelegd. Ik weet dat ik waarschijnlijk deze periode moet terugbetalen.”

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante aan deze door haar ondertekende verklaring gehouden kan worden. Voor de stelling van appellante dat de tekst van de verklaring is veranderd nadat appellante deze had gelezen en ondertekend, zijn geen aanwijzingen te vinden. Dat de verklaring wel anders moet zijn geweest omdat er anders geen aanleiding was om een huisbezoek af te leggen, wordt niet gevolgd. Voor het college bestond immers aanleiding om een huisbezoek af te leggen ter verificatie van de stelling van appellante dat zij sinds 17 april 2013 weer met haar zoontje in [woonplaats] verbleef.

5.5.

De onder 5.4 weergegeven verklaring komt bovendien overeen met de overige onderzoeksbevindingen. Uit de door appellante overgelegde bankafschriften blijkt dat appellante in de te beoordelen periode slechts twee pinbetalingen in [woonplaats] heeft verricht en dat zij regelmatig de huur van de woning van haar ex-vriend in Haarlem heeft betaald. Voorts is tijdens het huisbezoek nauwelijks kleding van appellante en haar zoontje op het uitkeringsadres aangetroffen. Appellante heeft hierover verklaard dat zij onverwacht gevlucht is uit Haarlem en dat de kleding van haarzelf en van haar zoontje nog in Haarlem lag.

5.6.

De omstandigheid dat appellante in de te beoordelen periode in de GBA was ingeschreven op het uitkeringsadres leidt niet tot een ander oordeel, aangezien aan die inschrijving, gelet op wat onder 5.3 is overwogen, in dit verband geen doorslaggevende betekenis toekomt. Ook het feit dat appellante in de te beoordelen periode huur betaalde voor haar kamer op het uitkeringsadres is onvoldoende voor de vaststelling dat appellante, in weerwil van de hiervoor besproken bevindingen, haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.

5.7.

Appellante heeft aan het college niet meegedeeld dat zij in de te beoordelen periode feitelijk geen woonplaats had in de gemeente [woonplaats] , zodat zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Nu als gevolg van die schending aan appellante ten onrechte bijstand is verleend, was het college op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB verplicht de bijstand in te trekken over de periode van 1 oktober 2012 tot en met 15 april 2013. Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat de terugvordering geen bespreking behoeft.

Boete

5.8.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

5.9.

In artikel 18a, eerste lid, van de WWB, dat onderdeel uitmaakt van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving (Stb. 2012, 462) en in werking is getreden op

1 januari 2013, is bepaald dat het college een bestuurlijke boete oplegt van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB.

5.10.

Artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, met ingang van 1 januari 2013 gewijzigd bij het Besluit aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving

(Stb. 2012, 484), bepaalde ten tijde van het opleggen van de boete aan appellante, voor zover van belang, dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op de hoogte van het benadelingsbedrag, dat de boete bij verminderde verwijtbaarheid wordt verlaagd en dat deze naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-.

5.11.

Dit boeteregime geldt voor de bijstand vanaf 1 januari 2013 en een handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting voor 1 januari 2013 mag niet met een bestuurlijke boete worden gesanctioneerd (uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807).

5.12.

Het college heeft zich, nu appellante geen melding heeft gemaakt van de omstandigheid dat zij haar woonplaats niet meer in de gemeente [woonplaats] had, terecht op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van deze schending kan appellante ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Gelet hierop was het college in beginsel dan ook gehouden met toepassing van artikel 18a van de WWB een boete op te leggen van ten hoogste het over de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 april 2013 vastgestelde benadelingsbedrag.

5.13.

Het college heeft naar aanleiding van recente rechtspraak (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12) ter zitting het nadere standpunt ingenomen dat sprake is van normale verwijtbaarheid. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting aangevoerd dat, gelet op de beweegredenen van appellante, iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellante woonde in [woonplaats] in een zeer kleine kamer, samen met haar zoontje dat ADHD heeft. In haar ex-vriend, die in Haarlem grotere woonruimte tot zijn beschikking had, vond zij een vaderfiguur voor haar zoontje.

5.14.

Met het college wordt geoordeeld dat ter zake van de schending van de inlichtingenverplichting bij appellante sprake is van normale verwijtbaarheid. Het had appellante redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat haar verblijf buiten de gemeente [woonplaats] van belang was voor de beoordeling van haar recht op bijstand. In de stelling van appellante dat zij heeft gehandeld in het belang van haar zoontje kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Niet aannemelijk is gemaakt dat appellante door haar zoontje een betere leefomgeving te bieden in omstandigheden verkeerde waarin zij de inlichtingenverplichting niet kon nakomen.

5.15.

Bij normale verwijtbaarheid is naar vaste rechtspraak (uitspraak van 23 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1807) 50% van het benadelingsbedrag een passend uitgangspunt bij de afstemming van de boete op het aspect van verwijtbaarheid. Het benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 15 april 2013 bedraagt € 2.562,50. Afgerond naar boven op een veelvoud van € 10,- resulteert dit in een bedrag van € 1.290,-.

5.16.

Naar eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10) moet een bestuursorgaan, indien het een bestuurlijke boete oplegt en daarbij rekening houdt met de draagkracht van de overtreder, acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van een bestuursorgaan over de hoogte van een boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de op dat moment aannemelijk geworden omstandigheden, waaronder de financiële omstandigheden, waarbij het dan in de eerste plaats op de weg van de betrokkene ligt daarover inzicht te geven.

5.17.

Nu sprake is van normale verwijtbaarheid moet, gelet op de onder 5.16 genoemde uitspraak, als uitgangspunt gelden dat de boete binnen twaalf maanden uit de voor beslag vatbare ruimte, berekend op basis van de beslagvrije voet als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), kan worden voldaan. Ter zitting heeft de gemachtigde van het college te kennen gegeven dat in het geval van appellante de boete is opgelegd onder een oud regime waarbij een beslagvrije ruimte van 6% gehanteerd is in plaats van 10% zoals volgt uit de artikelen 475c tot en met 475e van Rv. De Raad ziet aanleiding om bij de door het college voor appellante gunstiger vastgestelde beslagvrije ruimte aan te sluiten. Dit betekent dat de boete dient te worden bepaald op € 710,-, te weten: 12 maal 6% van de voor appellante van toepassing zijnde bijstandsnorm (ten tijde van deze uitspraak € 977,15) = € 703,55, naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-. Hiermee is voldoende rekening gehouden met de financiële omstandigheden van appellante.

Bijkomende beschikking

5.18.

Ingevolge artikel 4:125, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de beschikking waarbij de verplichting tot betaling van een geldsom is vastgesteld, mede betrekking op een bijkomende beschikking van hetzelfde bestuursorgaan omtrent verrekening, uitstel van betaling, verlening van een voorschot, vaststelling van de rente of gehele of gedeeltelijke kwijtschelding, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

5.19.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante de beroepsgronden gericht tegen de bijkomende beschikking van 9 januari 2015 niet langer gehandhaafd, zodat deze geen bespreking meer behoeven.

Conclusie

5.20.

Gelet op 5.17 dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd voor zover het de hoogte van de vastgestelde boete betreft. Met toepassing van artikel 8:72a van de Awb zal het bedrag van de boete worden vastgesteld op € 710,-, aangezien de boete tot dat bedrag hier evenredig, passend en geboden is.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van

het vernietigde gedeelte van het besluit van 12 februari 2014 in stand blijven;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- stelt het bedrag van de boete vast op € 710,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het besluit van 12 februari 2014;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD