Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3255

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
02-09-2016
Zaaknummer
15/2131 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Anders dan appellant en met de rechtbank en de minister is de Raad van oordeel dat uit de uitspraak van de Raad van 23 februari 2012 niet blijkt dat de functie [functie C] senior met de rang van majoor met terugwerkende kracht aan appellant had moeten worden toegewezen. Overschrijding redelijke termijn is vier jaar. Immateriële schade vastgesteld op € 4.000,-, waarvan € 750,- ten laste van de Staat en resterende € 3.250,- ten laste van de minister.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2131 MAW

Datum uitspraak: 25 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2015, 12/10897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.M. Klatten hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft aanvankelijk plaatsgevonden op 3 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Klatten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.

Het onderzoek is heropend na de zitting en de enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 27 januari 2016 heeft de Raad vragen gesteld aan de minister. Deze heeft hierop geantwoord. Vervolgens heeft appellant een reactie ingediend. Beide partijen hebben nog nadere stukken ingediend.

Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 23 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.R. Ismail. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. Verdonk.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreide weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Appellant was sinds 2000 aangesteld als [functie A] bij de Koninklijke Luchtmacht. Bij besluit van 15 juli 2008 (primair besluit) heeft de minister aan appellant meegedeeld dat zijn sollicitatie naar een functie binnen het [naam bataljon] ( [naam] ) Bataljon voor de functie van [functie B] , niet in behandeling wordt genomen. Het door appellant hiertegen gemaakte bezwaar heeft de minister niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 22 juli 2009 van de rechtbank ’s-Gravenhage (kenmerk 09/222 MAW) is het beroep van appellant gegrond verklaard en is de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

1.2.

Op 6 oktober 2009 heeft een gesprek met appellant plaatsgevonden waarin aan appellant de functie van [functie C] senior (voorheen [functie B] , de onder 1.1 vermelde functie) is aangeboden. Appellant heeft in dat gesprek te kennen gegeven de hem aangeboden rang van kapitein niet passend te vinden. Bij brief van 4 november 2009 heeft de minister aan appellant bevestigd dat aan de geambieerde functie de rang van kapitein is verbonden en dat appellant daarom niet op het aanbod is ingegaan.

1.3.

Eind 2009/begin 2010 is de functie [functie C] senior in rang verhoogd naar de rang van majoor, wegens een gebrek aan gekwalificeerde kandidaten.

1.4.

Bij besluit van 4 maart 2010 heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 oktober 2010 van de rechtbank

’s-Gravenhage (kenmerk 10/2683) is het beroep van appellant daartegen ongegrond verklaard.

1.5.

Naar aanleiding van het door appellant ingediende hoger beroep heeft de Raad bij uitspraak van 23 februari 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BV6816) de uitspraak van de rechtbank van 13 oktober 2010 vernietigd, het beroep tegen het besluit van 4 maart 2010 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Daarbij heeft de Raad de minister opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van die uitspraak.

1.6.

Op 22 maart 2012 is naar aanleiding van de uitspraak van de Raad opnieuw met appellant gesproken. Hem is de functie aangeboden van [functie D] (voorheen [functie C] senior, de

onder 1.2 genoemde functie) bij het netwerk [netwerk] van [naam bataljon] Bataljon van de Afdeling [naam afdeling] (functie), in de rang van majoor. Dit aanbod heeft appellant aanvaard.

1.7.

Bij besluit van 18 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het primaire besluit gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Met toepassing van artikel 17 van het Algemeen militair ambtenarenreglement is aan appellant met ingang van 1 april 2012 de functie toegewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank samengevat overwogen dat de Raad in zijn uitspraak van 23 februari 2012 alleen heeft bepaald dat de functie in de rang van majoor alsnog aan appellant moest worden aangeboden. Volgens de rechtbank volgt uit de uitspraak niet dat de minister met terugwerkende kracht tot functietoewijzing zou moeten overgaan, zoals appellant heeft betoogd.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de minister geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad van 23 februari 2012 door appellant de functie pas per 1 april 2012 toe te wijzen. Hij is van mening dat de functie per eerst mogelijke datum of binnen een redelijke termijn na 15 juli 2008 aan hem had moeten worden toegewezen. Daarbij wijst appellant erop dat het primaire besluit van 15 juli 2008 geen stand heeft gehouden. De rang van majoor kan desnoods worden toegekend vanaf het moment waarop die rang aan de functie werd gekoppeld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft in zijn hiervoor vermelde uitspraak van 23 februari 2012, voor zover hier relevant, het volgende overwogen:

“4.1. Niet in geschil is dat appellant geschikt kan worden geacht voor de functie van [functie C] senior, die op 6 oktober 2009 door de minister aan appellant is aangeboden en waaraan op dat moment de rang van kapitein was verbonden. Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant had moeten worden benoemd in deze functie met daaraan verbonden een hogere rang dan de rang van kapitein.

4.2. (…)

Gezien de specifieke omstandigheden van dit geval lag het op de weg van de minister om appellant er na het gesprek van 6 oktober 2009 op te wijzen dat de rang van de functie van [functie C] senior inmiddels was verhoogd naar de rang van majoor en om hem de functie met deze rang aan te bieden. Daarbij merkt de Raad op dat uit de beschikbare stukken weliswaar blijkt dat appellant de rang van kapitein niet passend vond, maar dat uit de stukken niet kan worden afgeleid dat, zoals de minister heeft gesteld maar appellant heeft betwist, appellant te kennen heeft gegeven dat hij alleen benoemd wilde worden in een functie met de rang van luitenant-kolonel. Doordat de minister heeft nagelaten de functie van [functie C] senior met de rang van majoor aan appellant aan te bieden, berust het bestreden besluit op een onvolledige heroverweging in bezwaar en is het in strijd met de artikelen 7:11, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.3. (…)

De Raad ziet geen mogelijkheid tot finale geschillenbeslechting binnen zijn bereik. De minister zal alsnog de functie van [functie C] senior met de rang van majoor aan appellant moeten aanbieden. Mede aan de hand van de reactie van appellant hierop zal de minister vervolgens een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.”

4.2.

Anders dan appellant en met de rechtbank en de minister is de Raad van oordeel dat uit deze uitspraak niet blijkt dat de functie met terugwerkende kracht aan appellant had moeten worden toegewezen. Uit de uitspraak blijkt slechts dat de functie, nu deze in rang is verhoogd voordat de nieuwe beslissing op bezwaar van 4 maart 2010 werd genomen, alsnog aan appellant aangeboden had moeten worden. Dit heeft de minister op 22 maart 2012 gedaan en appellant heeft dit aanbod aanvaard, waarna de minister de functie alsnog aan appellant heeft toegewezen per 1 april 2012, de eerste dag van de maand volgend op het aanbod. Er is geen grond voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. Hierbij is van belang dat appellant eerder de aangeboden functie, toen hier nog de rang van kapitein aan was verbonden, niet wilde aanvaarden. Dat op een later moment alsnog is besloten de rang van de functie te verhogen, brengt niet mee dat op grond daarvan de functie dan wel de rang ook met terugwerkende kracht aan appellant had moeten worden toegewezen, zelfs nog voordat hij de aangeboden functie had aanvaard. Het hoger beroep slaagt dan ook niet.

5. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.1.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.

5.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.

5.3.

In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden (uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009).

5.4.

In een geval als dit, waarin achtereenvolgens een vernietiging door de rechtbank en een vernietiging door de Raad van een beslissing op bezwaar leiden tot hernieuwde behandelingen van het bezwaar en hernieuwde behandelingen door de rechter, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan toegerekend (uitspraak van

25 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH9991). Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat (Ministerie van Veiligheid en Justitie).

5.5.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door de minister op 23 augustus 2008 van het bezwaarschrift van appellant - de Raad gaat in dit geval uit van de dag na dagtekening van het bezwaarschrift - tot de datum van deze uitspraak zijn

acht jaren verstreken. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellant geeft aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is daarom met vier jaar overschreden.

5.6.

Van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat geen sprake is geweest van spanning en frustratie die als immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. De door appellant geleden immateriële schade wordt daarom vastgesteld op een bedrag van achtmaal € 500,-, dat is € 4.000,-.

5.7.

Van een te lange behandelingsduur in de eerste twee rechterlijke fases is geen sprake geweest, aangezien de eerste behandeling door de rechtbank niet meer dan anderhalf jaar heeft geduurd en de tweede behandeling door de rechtbank en de Raad samen niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De derde behandeling in de rechterlijke fase is aangevangen met de ontvangst van het beroepschrift door de rechtbank op 23 november 2012. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 18 februari 2015, waarmee de rechtbank in deze fase de haar toekomende behandelingsduur van anderhalf jaar met ongeveer negen maanden heeft overschreden. De daaropvolgende behandeling bij de Raad heeft minder dan twee jaar in beslag genomen. De behandeling door rechtbank en Raad tezamen heeft in deze fase echter meer dan drie en een half jaar in beslag genomen. Gelet op de overschrijding van de aan de rechtbank toekomende behandelingsduur bij de derde behandeling van het beroep, komt de schadevergoeding voor een periode van ongeveer negen maanden, dat wil zeggen tot een bedrag van € 750,-, ten laste van de Staat. De resterende € 3.250,- komt ten laste van de minister.

6. Aanleiding bestaat om de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 750,-;

- veroordeelt de minister tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een

bedrag van € 3.250,-;

- bepaalt dat de minister appellant het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 248,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en K.J. Kraan en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

HD