Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3243

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
15-2896 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bezwaar is door de minister op goede grond niet-ontvankelijk verklaard. De brief is niet gericht op enig rechtsgevolg en is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2896 WSF

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

27 maart 2015, 14/5099 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.G.J. Smit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Smit. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. drs. E.H.A. van den Berg.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft een HBO-opleiding gevolgd. De minister heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 20 oktober 2012 over het jaar 2013 aan appellante studiefinanciering in de vorm van een lening op grond van de Wet studiefinanciering 2000 toegekend, waaronder een studentenreisproduct. Daarbij is meegedeeld dat appellante vanaf 1 mei 2013 geen recht heeft op een studentenreisproduct.

1.2.

Bij brief van 27 april 2013 heeft de minister aan appellante medegedeeld dat zij vanaf

1 mei 2013 geen recht meer heeft op een studentenreisproduct.

1.3.

Met een bezwaarschrift van 5 maart 2014 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de brief van 27 april 2013. Appellante heeft aangevoerd dat zij de brief van 27 april 2013 niet heeft ontvangen en dat dit te wijten is aan identiteitsfraude waarvan zij het slachtoffer is geworden. Als gevolg hiervan wist appellante niet dat zij het studentenreisproduct had moeten stopzetten.

1.4.

Bij besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellante tegen de brief van 27 april 2013 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van

27 april 2013 geen besluit is maar een herhaalde mededeling van het besluit van 20 oktober 2012.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank geoordeeld dat de minister terecht het bezwaar tegen de brief van

27 april 2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard, echter op de grond dat sprake is van

niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellante op de hoogte kon zijn van de berichten van 20 oktober 2012 en

27 april 2013, omdat de berichten op Mijn DUO waren geplaatst. Appellante heeft nooit post ontvangen als gevolg van gepleegde identiteitsfraude. Ook heeft zij nooit gekozen voor digitale verzending. Bij ontkenning van de ontvangst van een besluit is het aan de minister om aan te tonen dat het besluit is verzonden. Omdat de besluiten niet aan appellante zijn bekendgemaakt en zij in oktober 2013 pas bekend werd met een OV-schuld, heeft appellante recht op een studentenreisproduct over de maanden mei 2013 tot en met oktober 2013.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De Raad onderschrijft het standpunt van de minister dat de brief van 27 april 2013 slechts een herhaling bevat van hetgeen reeds omtrent het beëindigen van het recht op een studentenreisproduct in het besluit van 20 oktober 2012 was opgenomen. De brief van 27 april 2013 is dan ook niet gericht op enig rechtsgevolg en de brief is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het bezwaar dat namens appellante is gemaakt tegen de brief van 27 april 2013 is dus door de minister op goede grond niet-ontvankelijk verklaard.

4.2.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) S.W. Munneke

UM