Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
14-7121 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschiktheid voor ten minste één van de geselecteerde functies. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0922

Uitspraak

14/7121 ZW

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

5 december 2014, 14/4343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Küçükünal. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.M.M. Schalkwijk.

OVERWEGINGEN

1.1

Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster voor 22,5 uur per week. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van
3 september 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Per die datum werd appellante met haar beperkingen in staat geacht de voorbeeldfuncties productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie, inpakker en medewerker tuinbouw te vervullen en daarmee meer te verdienen dan 65% van haar maatmaninkomen.

1.2.

Appellante heeft zich op 24 oktober 2012 ziek gemeld met polsklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op 25 april 2014 heeft zij het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 1 mei 2014 geschikt geacht voor (ten minste één van) de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Het Uwv heeft bij besluit van 25 april 2014 vastgesteld dat appellante per 1 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing heeft het Uwv bij besluit van 14 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juli 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Hierbij is van belang geacht dat appellante de verzekeringsarts tijdens zijn onderzoek heeft gemeld dat de tintelingen aan haar handen zijn verdwenen, dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij zijn onderzoek het rapport van de verzekeringsarts heeft betrokken, waarin onder meer een beschrijving wordt gegeven van het verrichte lichamelijk onderzoek aan de handen en voeten, en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep appellante heeft gezien tijdens de hoorzitting en daarbij zelf haar handen heeft onderzocht. De rechtbank heeft verder overwogen dat appellante in beroep niet heeft toegelicht bij welke behandelaar zij onder behandeling is en welke nieuwe informatie over haar medische situatie rond de datum in geding van de behandelend sector kon worden verkregen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank voorbij is gegaan aan (de ernst van) haar psychische klachten. Appellante heeft daartoe betoogd dat zij wegens nieuwe lichamelijke klachten wordt gedomineerd door een hevig angstgevoel, dat zij depressieve klachten heeft en in verband met deze klachten medicatie gebruikt. Verder heeft zij gesteld dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep alleen een momentopname was en dat zij wel degelijk (ambulant door de GGZ-instelling Esens) wordt behandeld. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellante een afsprakenkaart en een recepthistorie tot 11 december 2014 overgelegd. Ter zitting heeft appellante daaraan toegevoegd dat haar lichamelijke klachten eveneens zijn onderschat.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Zoals vaker is geoordeeld gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Wat in hoger beroep is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Dat oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven. In hoger beroep heeft appellante geen medische stukken overgelegd die tot een ander oordeel over haar belastbaarheid moeten leiden.

4.3.

Vooropgesteld wordt dat bij de WIA-beoordeling in 2008 voor dezelfde psychische klachten als appellante in dit geding heeft benoemd beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bevestigd dat de geselecteerde functies geestelijk niet belastend zijn.

4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep was ermee bekend dat appellante al sinds 1998 psychische klachten heeft en in verband daarmee al ruim vijftien jaar medicijnen gebruikt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht dat een toename van beperkingen op grond van deze klachten (ten opzichte van de WIA-beoordeling) niet geobjectiveerd is. Hij heeft gesteld dat er anamnestisch en bij onderzoek geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie worden gevonden en dat behandeling alleen bestaat uit het slikken van een antidepressivum in lage dosering. Ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft bij eigen onderzoek geen aanwijzingen voor een ernstige geestelijke ziekte of gebrek vastgesteld. Appellante heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn spreekuur desgevraagd meegedeeld op dat moment niet meer onder behandeling te staan. Het opvragen van informatie bij een behandelaar was daarom niet aan de orde. Over de behandeling bij Esens is namens het Uwv terecht opgemerkt dat de eerste afspraak plaatsvond op

10 september 2014 en dat daarmee niet is komen vast te staan dat appellante op of rond
1 mei 2014 een intensieve behandeling volgde. Ter zitting is namens appellante bovendien meegedeeld dat de behandeling van appellante met name medicamenteus is en de gesprekken vooral ondersteunend zijn. Geoordeeld wordt dat in de verzamelde medische gegevens een onderbouwing van de stelling van appellante dat het Uwv haar psychische klachten heeft onderschat, niet is te vinden.

4.5.

Wat ter zitting nog is aangevoerd over de lichamelijke klachten leidt niet tot een ander oordeel over de geschiktheid van de geselecteerde functies. Dat appellante in 2012 en 2013 aan haar polsen is geopereerd, is bij de beoordeling betrokken. Appellante heeft hierover tegen de verzekeringsarts gezegd dat ze blij is dat ze geopereerd is en dat de tintelingen, die ook al in 2008 aanwezig waren, verdwenen zijn. Anders dan ter zitting namens appellante is gesuggereerd hebben de verzekeringsartsen hun beoordeling van het handgebruik niet alleen gebaseerd op de handdruk die appellante hen gaf. Zij hebben, zoals ook de rechtbank al in haar overwegingen heeft betrokken, beiden de handen van appellante onderzocht. Omdat appellante drie maanden voor het spreekuur van de verzekeringsarts last kreeg van haar rechter grote teen, is zij beperkt geacht op het dragen van beschermingsschoenen. Het dragen van dit soort schoenen komt in de geselecteerde functies echter niet voor. Dat appellante is aangewezen op het dragen van slippers, zoals namens haar is betoogd, is niet nader onderbouwd. Niet valt in te zien waarom appellante tijdens de werkzaamheden in de geduide functies geen (eventueel ruim zittende) schoenen of sandalen zou kunnen dragen.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter, in tegenwoordigheid van

J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
31 augustus 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

UM