Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3234

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
14-6345 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies. Juiste maatstaf arbeid gehanteerd. Belastbaarheid niet onderschat. Geen twijfel aan de juistheid van de medische rapporten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0920

Uitspraak

14/6345 ZW

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 28 oktober 2014, 14/962 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden, waarop het Uwv een schriftelijke reactie heeft gegeven. Mr. N. Tali, advocaat, heeft zich daarbij als (nieuwe) gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellant en mr. Tali zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als timmerman voor 36,58 uur per week. Nadat zijn dienstverband was geëindigd, heeft hij vanaf september 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Na een ziekmelding op 3 juni 2010 wegens psychische klachten heeft hij de wachttijd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) volbracht. Het Uwv heeft bij besluit van 11 april 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van 31 mei 2012 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Per die datum werd appellant in staat geacht om met functies die in overeenstemming zijn met zijn belastbaarheid meer dan 65% te verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Vanaf

1 juni 2012 heeft appellant opnieuw een WW-uitkering ontvangen. De WW-uitkering is herzien, nadat appellant vanaf september 2012 is gaan werken als taxichauffeur in loondienst voor 20 tot 22 uur per week.

1.2.

Op 21 januari 2013 heeft appellant zich vanuit de WW ziek gemeld met psychische klachten. De werkzaamheden als taxichauffeur heeft hij voortgezet. Op 22 november 2013 heeft appellant voor een zogenoemde Eerstejaars Ziektewet-beoordeling het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft, na overleg met een arbeidsdeskundige op

20 december 2013, op grond van zijn onderzoek geconcludeerd dat appellant per

20 december 2013 weer arbeidsgeschikt is voor de in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 20 december 2013 vastgesteld dat appellant per
23 december 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellant tegen deze beslissing heeft het Uwv bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 maart 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Omdat het Uwv in bezwaar naar het oordeel van de rechtbank niet is uitgegaan van de juiste maatstaf arbeid, maar dit gebrek in beroep heeft hersteld, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

2.1.

De rechtbank heeft geen reden gezien te twijfelen aan de door de artsen van het Uwv vastgestelde beperkingen voor het verrichten van arbeid.

2.2.

De rechtbank heeft bij haar oordeel dat de verzekeringsartsen voldoende rekening hebben gehouden met de klachten van appellant van belang geacht dat bij de medische beoordeling dossierstudie is verricht en dat de informatie van de GGZ-instelling Max Ernst (Max Ernst) van 20 juni 2013 bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts daaruit heeft geconcludeerd dat sprake was van een recidief van een ernstige depressieve stoornis en dat deze niet wezenlijk is gewijzigd ten opzichte van de
WIA-beoordeling in 2012. In verband met de resultaten van een intelligentie-onderzoek heeft de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 november 2013 een extra beperking opgenomen voor cognitief functioneren en in zijn rapport gemotiveerd waarom een urenbeperking niet aan de orde is.

2.3.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 18 augustus 2014 over het in beroep ingebrachte rapport van GGZ-instelling Dimence van 21 mei 2014 gesteld dat dit rapport een intakeverslag betreft en ziet op appellants situatie ruim na de datum in geding. Daarom heeft dit rapport de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vermeld dat de diagnose schizoïde persoonlijkheidsstoornis wordt genoemd, maar dat het niet duidelijk is welke bevindingen aan deze vaststelling ten grondslag liggen. Ook heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de nader ingebrachte medische informatie geen nieuwe medische gegevens bevat over de in het geding zijnde datum.

3.1.1.

In hoger beroep is namens appellant in aanvang in essentie hetzelfde aangevoerd als in bezwaar en beroep. Appellant heeft gesteld dat gelet op de datum in geding aanwezige stoornissen, namelijk depressiviteit, dwangstoornis, zwakbegaafdheid en schizoïde persoonlijkheidsstoornis, zijn beperkingen zijn onderschat. Het werk als taxichauffeur is volgens hem het maximale dat hij op de datum in geding kon opbrengen. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv op grond van artikel 19ab, eerste lid, van de ZW, niet had mogen afzien van een arbeidskundig onderzoek. Appellant heeft de Raad verder verzocht een psychiater als onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.1.2.

Appellant heeft zijn hoger beroepsgronden nadien aangevuld met de stelling dat de informatie van Max Ernst niet op de juiste wijze is vertaald naar de FML. Daarbij is benadrukt dat Max Ernst heeft geconcludeerd dat de totale intelligentie van appellant op zwakbegaafd niveau ligt en dat appellant een zeer zwakbegaafd tot beneden gemiddeld begaafd handelingsniveau heeft. Ter onderbouwing van dit standpunt is een indicatiebesluit van het CIZ van 24 oktober 2014 overgelegd en een besluit van het Uwv van 13 juni 2016. Bij dit laatste besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellant, na een nieuwe ziekmelding op

18 juni 2015, na één jaar ongewijzigd recht op ziekengeld heeft. Uit het eveneens ingezonden onderliggende arbeidskundig rapport blijkt dat voor appellant geen passende functies kunnen worden geselecteerd, mede vanwege een aanmerkelijk vertraagd handelingstempo.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.1.2.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde die geen werkgever heeft jegens wie hij, bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, recht heeft op doorbetaling van loon, nadat na de eerste dag van ongeschiktheid tot werken een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken is verstreken, recht op ziekengeld als hij ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid als bedoeld in artikel 19 en als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

4.1.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de ZW verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.

4.2.

Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant met ingang van 23 december 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Hieruit volgt dat geen sprake is van een tijdvak van 52 weken van ongeschiktheid tot werken sinds de eerste dag van de ongeschiktheid tot werken als bedoeld in artikel 19aa van de ZW, namelijk 21 januari 2013. Aan een beoordeling op grond van artikel 19ab van de ZW wordt daarom niet toegekomen. De stelling dat het Uwv arbeidskundig onderzoek had moeten verrichten, slaagt dan ook niet.

4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat als maatstaf arbeid heeft te gelden de combinatie van (ten minste één geschikte functie van) de in het kader van de

WIA-beoordeling in 2012 geselecteerde functies met de functie taxichauffeur voor in totaal 36,58 uur per week.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanwijzingen zijn dat het Uwv de belastbaarheid van appellant onjuist heeft ingeschat. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is ermee bekend dat appellant zwakbegaafd is, depressieve klachten heeft en een

obsessief-compulsieve stoornis met dwanghandelingen. Er is geen reden aan te nemen dat het Uwv de hiermee verband houdende (objectiveerbare) beperkingen heeft onderschat.

4.5.

Onder verbetering van de motivering van de rechtbank wordt overwogen dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij hebben gesteld dat van een recidive depressie sinds mei/juni 2013 en op de datum in geding geen sprake meer was. Zij hebben gesteld dat de depressieve klachten op de datum in geding niet wezenlijk anders waren dan bij de WIA-beoordeling in 2012. Bij de beoordeling van deze en de overige klachten van appellant hebben zij de aanwezige informatie van Max Ernst betrokken. De stelling van appellant dat de informatie van Max Ernst niet op de juiste wijze is vertaald naar de FML, miskent dat het volgens vaste rechtspraak tot de specifieke deskundigheid van een verzekeringsarts behoort om medische informatie te vertalen naar arbeidsbeperkingen (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:3233). Omdat dit door de verzekeringsartsen van het Uwv inzichtelijk gemotiveerd is gedaan en appellant zijn stelling niet nader heeft onderbouwd, wordt geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de visie van deze artsen op de beperkingen voor het verrichten van arbeid die samenhangen met de medische toestand van appellant.

4.6.

Uit de in hoger beroep overgelegde stukken valt net zo min als uit de stukken die bij de rechtbank zijn ingebracht af te leiden dat de artsen van het Uwv de medische toestand van appellant op de datum in geding hebben onderschat. Naar aanleiding van de nieuwe stukken in hoger beroep heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts van 30 april 2016 ingezonden. Daaruit blijkt dat appellant op 18 juni 2015 is uitgevallen door een nieuwe ziekteoorzaak, namelijk een gecompliceerd rouwproces na het overlijden van zijn vader op die datum. De conclusie van de verzekeringsarts over het handelingstempo van appellant zoals vermeld in het in 3.1 genoemde rapport van de arbeidsdeskundige, ziet duidelijk op de periode na het overlijden van zijn vader. Aan het feit dat het Uwv appellant per 18 juni 2015 ziekengeld heeft toegekend en de verzekeringsarts zijn handelingstempo nu wel beperkt heeft geacht, kan dan ook wat betreft zijn belastbaarheid op de datum hier in geding geen doorslaggevende waarde worden toegekend. Overwogen wordt verder dat het

CIZ-indicatiebesluit is opgesteld voor de toekenning van zorg in het kader van de Algemene wet bijzondere ziektekosten en uitgaat van een geheel ander beoordelingskader dan geldt voor een verzekeringsgeneeskundige beoordeling in het kader van de ZW. Bovendien ziet de indicatie op een periode ruim na de datum hier in geding. Ook aan dit indicatiebesluit kunnen dan ook geen conclusies worden verbonden met betrekking tot de beperkingen voor arbeid van appellant op 23 december 2013.

4.7.

Omdat er met de door appellant ingebrachte medische gegevens geen twijfel is ontstaan aan de juistheid van de medische rapporten waarop het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd, is voor nadere medische advisering van de Raad geen aanleiding. Het verzoek van appellant om een psychiater te benoemen als deskundige, wordt dan ook afgewezen.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter, in tegenwoordigheid van

J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

31 augustus 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) J.W.L. van der Loo

SS