Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3228

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
15/4930 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Geschikt voor maatgevende arbeid. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0918

Uitspraak

15/4930 ZW

Datum uitspraak: 31 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
2 juni 2015, 14/5474 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. el Ahmadi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 19 juli 2016 heeft mr. El Ahmadi zich als gemachtigde van appellante onttrokken en verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2016. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1. In het faxbericht van 19 juli 2016 heeft mr. El Ahmadi verteld dat hij appellante al meer dan zes maanden niet meer heeft gesproken en dat hij de uitnodiging voor de zitting tijdig naar appellante heeft doorgestuurd. Op de mailberichten nadien heeft hij geen reactie van appellante ontvangen. Gelet op het vorenstaande gaat de Raad ervan uit dat appellante de uitnodiging, gedateerd 22 juni 2016, heeft ontvangen. De Raad heeft dan ook geen aanleiding gevonden om het verzoek van mr. El Ahmadi in te willigen.

2. De Raad gaat over tot een inhoudelijke beoordeling van het geding.

3.1.

Appellante is voor 37,5 uur per week werkzaam geweest als thuiswerkend administratief medewerkster (klantenadministratie). Nadat haar dienstverband was beëindigd is aan appellante per 1 augustus 2012 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit de WW-situatie heeft appellante zich op 10 september 2012 ziek gemeld wegens klachten verband houdend met epilepsie. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 13 juni 2013 heeft het Uwv bij besluit van 26 juni 2013 beslist dat appellante met ingang van 20 juni 2013 weer in staat is om haar arbeid te verrichten en per die datum geen recht meer heeft op ziekengeld. De WW-uitkering van appellante is met ingang van
20 juni 2013 voortgezet.

3.2.

Op 6 maart 2014 heeft appellante zich ziek gemeld wegens toegenomen epileptische en psychische klachten. Op 23 mei 2014 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 26 mei 2014 geschikt geacht voor haar laatst verrichte arbeid van administratief medewerkster. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 mei 2014 vastgesteld dat appellante per 26 mei 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 3 juli 2014 ten grondslag.

4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geoordeeld dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en dat alle naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector op een deugdelijke en kenbare wijze zijn betrokken bij de medische beoordeling. Niet gebleken is dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante hebben gemist. De informatie van neuroloog S. van Beek heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen dat de epileptische klachten niet objectiveerbaar zijn. Blijkens de brief van 19 februari 2014 van de neuroloog zijn er bij de MRI-scan geen nieuwe afwijkingen gevonden. De hippocampus en de temporaalkwab links zijn normaal en er zijn geen focale afwijkingen in het hersenparenchym gevonden. De verzekeringsartsen hebben naar het oordeel van de rechtbank op inzichtelijke wijze beargumenteerd dat appellante op de datum in geding geschikt is te achten voor haar maatgevende arbeid. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante zich bij de maatgevende arbeid niet buitenshuis hoeft te begeven en niet in een situatie komt waarbij sprake is van een persoonlijk verhoogd risico.

5.1.

Appellante kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen. Haar epileptische klachten zijn wel degelijk objectiveerbaar. Appellante acht zich op de datum in geding niet in staat om haar maatgevende arbeid te verrichten.

5.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

6.2.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante voldoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen worden onderschreven. Het medisch onderzoek van het Uwv is toereikend en voldoende zorgvuldig geweest. Er zijn in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die tot een ander oordeel moeten leiden over de medische belastbaarheid van appellante, zodat moet worden geoordeeld dat terecht is geconcludeerd dat appellante de maatgevende arbeid kan verrichten en terecht per
26 mei 2014 ziekengeld is geweigerd.

7. De overwegingen in 6.1 en 6.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en J.S. van der Kolk en
E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2016.

(getekend) A.I. van der Kris

(getekend) H.J. Dekker

SS