Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3225

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
01-09-2016
Zaaknummer
14/6711 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering ten onrechte herzien van norm voor uitwonende naar thuiswonende studerende. Onvoldoende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6711 WSF

Datum uitspraak: 18 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

29 oktober 2014, 13/559 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Oass, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.F. Hofstee.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond van 22 september 2011 tot 6 november 2012 in de gemeentelijke basisadministratie (gba) ingeschreven onder het adres [adres] .

1.2.

De minister heeft, voor zover van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 aan appellant studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Deze toekenning is bij besluit van 20 oktober 2012 voor het jaar 2013 voortgezet.

1.3.1.

Op 8 oktober 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe hebben de controleurs aangebeld en de moeder van de hoofdbewoner heeft de deur geopend. In het rapport dat van het onderzoek is opgemaakt, is vermeld dat de moeder slecht Nederlands sprak en verklaarde dat appellant niet op het brp-adres maar bij zijn ouders woonde. De moeder is met de controleurs naar de buurman gelopen. De buurman, wonende op [nummer] , verklaarde dat appellant wel op het brp-adres woonde, maar op school zat.

1.3.2.

Vervolgens hebben de controleurs op 5 november 2012 nogmaals een huisbezoek afgelegd. Na aanbellen heeft de hoofdbewoner de deur geopend en hij verklaarde dat appellant op het adres woonde, maar hij de controleurs de kamer van appellant niet wilde laten zien omdat er veel bezoek aanwezig was. Toen de controleurs het flatgebouw wilden verlaten, zijn zij appellant tegengekomen. Appellant verklaarde dat hij zijn kamer niet kon laten zien, omdat hij geen sleutel van de woning heeft. Verder verklaarde appellant dat hij bij zijn oom en tante woonde omdat hij zijn vader wilde bewijzen dat hij op zichzelf kon wonen. Appellant paste soms op de kinderen van de hoofdbewoner en als het hem te druk werd ging hij studeren in de bibliotheek. Appellant verklaarde dat hij een slaapkamer met zijn neefje deelde.

1.3.3.

Op 20 november 2012 heeft de hoofdbewoner een nadere verklaring afgelegd. De hoofdbewoner verklaarde dat appellant problemen had met zijn ouders en dat hij een postadres wilde. Om die reden was appellant tijdelijk op het controle-adres ingeschreven. Appellant heeft er wel gewoond en komt af en toe langs als hij geen plek heeft. Dat is al een paar maanden zo volgens de hoofdbewoner. In de woning liggen nog enkele kledingstukken, maar het merendeel van appellants spullen ligt ergens anders. Appellant heeft geen sleutel van de woning. De hoofdbewoner verklaarde dat appellant misschien bij zijn ouders woont, hij een dag per week op het brp-adres is en verder bij zijn vriendin is. De hoofdbewoner heeft geweigerd om zijn verklaring te ondertekenen.

1.3.4.

De controleurs hebben daarna een bezoek afgelegd bij het ouderlijk adres van appellant, maar er werd niet opengedaan.

1.4.

Bij besluit van 30 november 2012 heeft de minister, voor zover hier van belang, op basis van hetgeen onder 1.3.1 tot en met 1.3.4 is vermeld, de vanaf 1 januari 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant vanaf laatstgenoemde datum als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant over de periode januari tot en met november 2012 te veel betaalde bedrag van € 2.036,15 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.5.

De minister heeft het tegen het besluit van 30 november 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 22 februari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit gerichte beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek op het
brp-adres voldoende feitelijke grondslag biedt voor het standpunt van de minister dat appellant niet woonachtig was op het adres waarop hij in de brp stond ingeschreven. Hierbij heeft de rechtbank de verklaring van de oom van appellant van 20 november 2012 in aanmerking genomen. Dat die verklaring niet is ondertekend, betekent volgens de rechtbank niet dat de verklaring niet juist in het rapport is weergegeven. Aan de in beroep overgelegde verklaringen wordt niet de waarde gehecht die appellant daaraan wil toekennen, omdat die verklaringen niet zijn ondertekend noch zijn voorzien van een identiteitsbewijs.

3. In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat de minister niet op grond van het rapport mocht overgaan tot herziening van de uitwonendenbeurs. De minister heeft, volgens appellant, ten onrechte waarde gehecht aan de verklaring van zijn oom, die zich geenszins herkent in de door de controleurs opgestelde verklaring. Ook mocht niet worden uitgegaan van de verklaring van de moeder van de hoofdbewoner, omdat zij zeer slecht Nederlands spreekt en zij de vragen van de controleurs niet heeft begrepen. Tot slot heeft de buurman van de hoofdbewoner verklaard dat appellant wel op het brp-adres woonde.

4.1.

De bewijslast om aannemelijk te maken dat een studerende niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 1.5 van de Wsf 2000 rust op de minister. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het rapport onvoldoende grondslag biedt voor de herziening van de studiefinanciering en overweegt daartoe het volgende.

4.2.

In het rapport van 22 november 2012 zijn meerdere verklaringen van onder meer de hoofdbewoner, de moeder van de hoofdbewoner, de buurman en appellant opgenomen, die deels belastend en deels begunstigend zijn voor appellant.

4.3.

Ter zitting heeft de minister aangevoerd dat met de verklaring van de moeder van de hoofdbewoner van 8 oktober 2012, in samenhang bezien met de verklaring van de hoofdbewoner van 20 november 2012 dat appellant bij de hoofdbewoner een postadres wilde, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant op 5 november 2012 niet op het gba-adres woonde.

4.4.1.

De verklaring van de moeder is naar het oordeel van de Raad niet goed bruikbaar. Zij sprak zoals de controleurs hebben geconstateerd zeer slecht Nederlands. Zij heeft zelfs niet duidelijk kunnen maken of zij bij haar zoon of dochter in huis woont.

4.4.2.

Ook de nadere verklaring van 20 november 2012 biedt geen steun aan het standpunt van de minister. Deze verklaring moet worden opgevat als een toelichting op de op
5 november 2012 door de hoofdbewoner afgelegde verklaring. Op 5 november 2012 heeft de hoofdbewoner verklaard dat appellant wel op het gba-adres woonde en in zijn verklaring van 20 november 2012 heeft hij verklaard dat appellant niet meer op het gba-adres woonde. Dit strookt met de door appellant overgelegde overschrijving naar een nieuwe gba-adres met ingang van 6 november 2012. Daarbij komt nog dat de minister niet heeft gemotiveerd om welke reden aan de verklaringen van de buurman, appellant en de hoofdbewoner van
5 november 2012 geen waarde wordt gehecht.

4.5.

Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb het besluit van 30 november 2012 te herroepen, omdat daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat het gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze zijn begroot op € 1.984,- voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het hogerberoepschrift en 2 punten voor de zittingen).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 februari 2013;

  • -

    herroept het besluit van 30 november 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 22 februari 2013;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) R.I. Troelstra

SS