Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3217

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
31-08-2016
Zaaknummer
15/4579 AW-G
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:3216 en komt in de plaats van ECLI:NL:CRVB:2016:2111.

De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat uit hetgeen het college in zijn schrijven van 6 januari 2015, de aanvulling van 30 maart 2015 en het verhandelde ter zitting heeft aangegeven, afdoende blijkt dat de [functie 1] adviseert over vraagstukken en processen die zowel tactisch als operationeel van aard zijn. Ook de overweging van de rechtbank dat het college voldoende gemotiveerd heeft dat in de functie van [functie 1] geen sprake is van zorg voor de uitvoering en implementatie van multidisciplinaire vraagstukken, wordt onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen (nieuwe) gronden aangevoerd dan wel informatie verstrekt die aanleiding geven voor een andersluidende conclusie. De Raad oordeelt dan ook met de rechtbank dat de inpassing van appellantes functie van [functie 1] in de generieke functiebeschrijving van [functie 2] niet onhoudbaar is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4579 AW-G

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Gerectificeerde op het hoger beroep tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Overijssel van

26 november 2014, 14/957 (aangevallen tussenuitspraak) en de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 21 mei 2015, 14/957 (aangevallen einduitspraak)

Partijen:

[appellante] , te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een tweetal hoger beroepen van collega’s van appellante, zaaknummers 15/4596 AW en 15/4601 AW, plaatsgevonden op 21 april 2016. Appellante is verschenen. Het college werd vertegenwoordigd door C. Jeurink,

D.F.J. de Vries, G. van Buren en M. Smeijers. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam bij de gemeente [gemeente 1] in de functie van Juridisch Adviseur A op het gebied van ruimtelijke ordening en de daarmee samenhangende regelgeving.

1.2.

Het college heeft besloten HR21 als nieuw systeem van functiebeschrijving en

-waardering in te voeren. Bij brief van 12 oktober 2012 heeft het college het voornemen geuit de functie van appellante in te delen in de generieke functiebeschrijving Adviseur V, waarbij als peildatum 1 juli 2011 is gehanteerd. Naar aanleiding van de zienswijze van appellante en haar collega’s heeft het college de functiebeschrijving van Juridisch Adviseur A geactualiseerd.

1.3.

Nadat het college opnieuw het voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellante en haar collega’s hun zienswijze hadden ingebracht, heeft het college bij besluit van 1 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 maart 2014 (bestreden besluit), appellante ingedeeld in de generieke functiebeschrijving van Adviseur V (met bijbehorende schaal 10) met als peildatum 1 juli 2011.

2.1.

Bij de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het college kan worden gevolgd in het standpunt dat het gebied van de ruimtelijke regelgeving als één vakgebied moet worden gezien en dat bij de functie van Adviseur V geen sprake is van het adviseren en ontwikkelen van beleid op meerdere, samenhangende vakgebieden. Het college heeft afdoende gemotiveerd dat het beleid voor andere (samenhangende) vakgebieden elders wordt gemaakt. Voorts heeft de rechtbank het college gevolgd in het standpunt dat een vergelijking met de gemeente [gemeente 2] niet opgaat, omdat het gaat om een andere organisatie die anders ingericht kan zijn. Ook kunnen aan de functies van Vastgoedjurist en Arbeidsjurist geen doorslaggevende argumenten worden ontleend voor de indeling in de functie van Adviseur IV, zoals voorgestaan door appellante. Echter, ten aanzien van de vraag of sprake is van het adviseren over vraagstukken en processen die tactisch van aard zijn (Adviseur IV) of tactisch dan wel operationeel van aard (Adviseur V), is de rechtbank van oordeel dat het college het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd. Gelet hierop heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het motiveringsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.

2.2.

Bij schrijven van 6 januari 2015 en 30 maart 2015 heeft het college een nadere motivering gegeven. Appellante heeft hierop gereageerd.

2.3.

Bij de aangevallen einduitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de indeling in de functie van Adviseur V niet onhoudbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college thans afdoende gemotiveerd dat de functie van juridisch adviseur A tevens in belangrijke mate operationeel van aard is.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het besluit van het college om de functie van Adviseur A in te delen in de functie van Adviseur V, in plaats van in de functie van Adviseur IV, geen stand kan houden. Tevens heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de einduitspraak ten onrechte geen bepaling over vergoeding van griffierecht heeft opgenomen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 6 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2652) is de rechterlijke toetsing bij de inpassing in een generieke functie terughoudend. Die toetsing is beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden inpassing niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat inpassing in een ander, hoger gewaardeerd functieprofiel op zichzelf verdedigbaar is.

4.2.

Voor het indelen van functies zijn de in HR21 zogenoemde overwegende functiekenmerken en generieke taken opgenomen. Onderscheidende functiekenmerken van Adviseur V en IV, zijn de volgende:

De Adviseur IV adviseert over en ontwikkelt beleid op meerdere samenhangende vakgebieden, de Adviseur V adviseert over en ontwikkeld beleid op een breed vakgebied.

De Adviseur IV adviseert over vraagstukken en processen die tactisch van aard zijn, de Adviseur V adviseert over vraagstukken en processen die tactisch dan wel operationeel van aard zijn.

Bij de generieke taken is onderscheidend dat de Adviseur IV adviseert over vraagstukken op meerdere samenhangende vakgebieden, terwijl de Adviseur V adviseert op een breed vakgebied. Voorts implementeert en operationaliseert de Adviseur IV beleids- en beheersinstrumenten, kaders en programma’s ter optimalisering van organisatiesturing en bedrijfsvoering. Voor de Adviseur V zijn laatstgenoemde taken niet vermeld.

4.3.

De rechtbank heeft met juistheid geconcludeerd dat uit hetgeen het college in zijn schrijven van 6 januari 2015, de aanvulling van 30 maart 2015 en het verhandelde ter zitting heeft aangegeven, afdoende blijkt dat de Juridisch Adviseur A adviseert over vraagstukken en processen die zowel tactisch als operationeel van aard zijn. Ook de overweging van de rechtbank dat het college voldoende gemotiveerd heeft dat in de functie van Juridisch Adviseur A geen sprake is van zorg voor de uitvoering en implementatie van multidisciplinaire vraagstukken, wordt onderschreven. Appellante heeft in hoger beroep geen (nieuwe) gronden aangevoerd dan wel informatie verstrekt die aanleiding geven voor een andersluidende conclusie. De Raad oordeelt dan ook met de rechtbank dat de inpassing van appellantes functie van Juridisch adviseur A in de generieke functiebeschrijving van Adviseur V niet onhoudbaar is.

4.4.

In de aangevallen tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake was van een motiveringsgebrek. Vervolgens heeft de rechtbank in de aangevallen einduitspraak geoordeeld dat het college met de nadere motivering dit gebrek in beroep heeft hersteld. Appellante heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat, nu het motiveringsgebrek pas in beroep is hersteld, de rechtbank in de einduitspraak had moeten bepalen dat het college aan haar het in beroep betaalde griffierecht vergoedt.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen tussenuitspraak voor bevestiging in aanmerking komt en dat de aangevallen einduitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, voor zover daarbij niet is bepaald dat het college aan appellante het in beroep betaalde griffierecht vergoedt. De Raad zal dit alsnog doen.

5. Van op grond van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten aan de zijde van appellante is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen tussenuitspraak;
- vernietigt de aangevallen einduitspraak voor zover daarbij niet is bepaald dat het college aan

appellante het in beroep betaalde griffierecht vergoedt;
- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 413,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD