Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3206

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
15/2511 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:1314, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Centrum maatschappelijk leven niet verplaatst naar uitkeringsadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/2511 WWB

Datum uitspraak: 30 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 2015, 15/571 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellant)

het Drechtstedenbestuur (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Boekhoud, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boekhoud. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. T. Franssen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 29 juli 2014 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand. Bij de aanvraag van 15 augustus 2014 heeft hij opgegeven te wonen op het adres [Adres 1] te [woonplaats] (opgegeven adres). Appellant stond tot

29 juli 2014 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, thans basisregistratie personen, ingeschreven op het adres van zijn ex-partner, [Adres 2] te [woonplaats] ([Adres 2]).

1.2.

Naar aanleiding van de aanvraag heeft op 15 augustus 2014 een gesprek met appellant plaatsgevonden.

1.3.

Bij besluit van 18 augustus 2014 heeft het bestuur, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 15 december 2014 (bestreden besluit), de aanvraag van appellant afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woont op het door hem opgegeven adres.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 29 juli 2014, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 18 augustus 2014, de datum van het besluit op de aanvraag.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.3.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van de bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. De aanvrager dient duidelijkheid te verschaffen over zijn woon-, leef- en financiële situatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonde op het door hem opgegeven adres. Zo heeft appellant op 15 augustus 2014 verklaard dat hij de woning op het opgegeven adres van zijn broer huurt. Deze woning was voorheen van zijn ouders en de inboedel van zijn ouders staat nog in de woning. Appellant heeft verder verklaard dat in de koelkast alleen een fles cola staat en dat zijn kleding en administratie nog op de [Adres 2] liggen. Daarnaast heeft appellant verklaard vaak bij zijn ex-partner en broer te eten en één á twee keer per week bij zijn ex-partner te slapen. Hieruit volgt dat appellant het centrum van zijn maatschappelijk leven in de te beoordelen periode niet heeft verplaatst van de [Adres 2] naar het opgegeven adres.

4.5.

Gelet op 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en A. Stehouwer en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het

openbaar op 30 augustus 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) A. Stuut

HD