Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3205

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
15/1467 NIOAW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:422, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte afgewezen IOAW-uitkering. Grondslag dat niet inzichtelijk is geworden hoe in onderhoud is voorzien voorafgaande aan de aanvraag houdt geen stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1467 NIOAW

Datum uitspraak: 23 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 januari 2015, 14/3878 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te

Sas van Gent

het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. D.J.J. Straver, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 5 maart 2015 heeft mr. Straver kenbaar gemaakt zich te onttrekken als gemachtigde van appellanten.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. Appellanten zijn verschenen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot en met 11 juli 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW-uitkering) voor 36 uur per week tot een bedrag van € 2.210,20 per vier weken. Aansluitend ontving appellant nog gedurende enkele weken WW-uitkering voor vier uur per week. Appellante ontving tot en met 31 augustus 2013 een WW-uitkering tot een bedrag van € 685,60 per vier weken. Appellanten hebben zich op 13 juni 2013 bij het college gemeld om een uitkering aan te vragen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW-uitkering). In het kader van deze aanvraag hebben appellanten op 30 september 2013 schriftelijk verklaard dat zij op

21 november 2012 een lening hebben verstrekt aan hun zoon die hen op dat moment de lening in termijnen terugbetaalde.

1.2.

Bij besluit van 1 november 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om een IOAW-uitkering afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten niet met bewijsstukken hebben onderbouwd dat zij hebben geleefd van de betalingen van hun zoon in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 augustus 2013. Door geen inzicht te geven hoe zij voorafgaande aan hun aanvraag in hun levensonderhoud hebben voorzien hebben zij de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden met als gevolg dat het recht op IOAW-uitkering niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Artikel 2 van de IOAW luidde ten tijde in geding als volgt:

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder werkloze werknemer de persoon die werkloos is en de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet, nog niet heeft bereikt en:

a. die:

1º na het bereiken van de leeftijd van 50 jaar werkloos is geworden;

2º in verband met die werkloosheid recht heeft gekregen op een uitkering op grond van hoofdstuk II van de Werkloosheidwet met een duur van meer dan drie maanden, en

3º nadien de volledige uitkeringsduur, bedoeld in hoofdstuk II van de Werkloosheidswet, inclusief een eventuele verlenging van deze duur op grond van artikel 76 van die wet, heeft bereikt, tenzij op dat tijdstip een maatregel van blijvend gehele weigering van de uitkering op grond van artikel 27, eerste of tweede lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is; of

(…).

4.1.2.

Artikel 5 van de IOAW luidde ten tijde in geding als volgt:

1. Recht op uitkering hebben, indien het inkomen per maand minder bedraagt dan de overeenkomstig het derde tot en met zesde lid en het negende lid vastgestelde grondslag:

a. de werkloze werknemer en de echtgenoot met of zonder kinderen;

(…).

2. Het recht op uitkering komt de werkloze en de echtgenoot gezamenlijk toe. De uitkering wordt aan de werkloze werknemer en de echtgenoot ieder voor de helft uitbetaald, dan wel op hun gezamenlijk verzoek aan een van hen voor het geheel.

3. De grondslag, bedoeld in het eerste lid, wordt door Onze Minister zodanig vastgesteld dat:

a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot die beiden 21 jaar of ouder zijn, de helft van de grondslag netto gelijk is aan € 661,77 (€ 677,27 per 1 januari 2014).

4.1.3.

Artikel 8 van de IOAW luidde ten tijde in geding als volgt:

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan:

a. voor de werkloze werknemer en de echtgenoot: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en zijn echtgenoot;

(…).

3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald wat wordt verstaan onder inkomen uit arbeid of overig inkomen als bedoeld in het eerste lid.

(…).

4.1.4.

De in artikel 8, derde lid van de IOAW bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten (AIB). In artikel 2:4, eerste lid, van het AIB worden de uitkeringen, beurzen en toeslag genoemd die als overig inkomen worden aangemerkt. Verder wordt in het eerste lid bepaald dat onder overig inkomen ook loon wordt verstaan dat uit vroegere dienstbetrekking wordt genoten. In het tweede lid worden de uitzonderingen op het eerste lid genoemd.

4.2.

Zoals volgt uit 1.1 in verbinding met 4.1.2 hebben appellanten met ingang van 12 juli 2013 recht op IOAW-uitkering indien hun inkomen per maand lager is dan de grondslag. Op 12 juli 2013 heeft appellant niet langer recht op WW-uitkering voor 36 uur per week ter hoogte van € 2.210,20 per vier weken. Vanaf 12 juli 2013 beschikten appellanten gezamenlijk over een inkomen uit WW-uitkering van appellant voor vier uur per week en het onder 1.1 genoemde inkomen van appellante uit WW-uitkering. Per 1 september 2013 beschikten appellanten niet meer over inkomen uit WW-uitkering. Van inkomen uit arbeid is niet gebleken. Niet in geschil is dat de zoon van appellanten ten tijde van belang maandelijks aan appellanten geld terugbetaalde dat hij van hen had geleend. De terugbetalingen van de zoon worden op grond van artikel 2:4 van het AIB niet aangemerkt als overig inkomen. In de gedingstukken zijn geen concrete aanwijzingen te vinden die erop wijzen dat appellanten anderszins over inkomsten beschikten die zij voor het college hebben verzwegen. Hieruit volgt dat van inkomen uit arbeid of overig inkomen, anders dan uit WW-uitkering, geen sprake is zodat appellanten op 12 juli 2013 voldeden aan de uitkeringsvoorwaarde ingevolge de IOAW dat hun inkomen per maand minder bedroeg dan de grondslag als bedoeld in

artikel 5, derde lid, aanhef en onder a, van de IOAW. Niet betwist wordt dat aan de overige uitkeringsvoorwaarden is voldaan. Dit betekent dat appellanten met ingang van

12 juli 2013 recht hadden op IOAW-uitkering. De hoogte van deze uitkering bedraagt op grond van artikel 9 van de IOAW het verschil tussen de van toepassing zijnde grondslag en het inkomen dat appellanten uit WW-uitkering ontvingen.

4.3.

Uit 4.1.1 tot en met 4.2 volgt dat het college aan de besluitvorming ten onrechte ten grondslag heeft gelegd dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt hoe zij in hun levensonderhoud hebben voorzien. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal om die reden worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. De Raad ziet aanleiding het besluit van 1 november 2013 te herroepen en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat aan appellanten met ingang van 12 juli 2013 een IOAW-uitkering wordt toegekend naar de op hen van toepassing zijnde grondslag, met inachtneming van de aan hen verstrekte WW-uitkeringen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding, omdat niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 mei 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 1 november 2013 en bepaalt dat aan appellanten met ingang van

12 juli 2013 een uitkering op grond van de IOAW wordt toegekend naar de op hen van

toepassing zijnde grondslag;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 16 mei 2014;

- bepaalt dat het college het door appellanten in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) G.J. van Gendt

HD