Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
15/1145 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:8880, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzwegen autotransacties. Recht niet vast te stellen. Gestelde geringe waarde niet van betekenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/1145 WWB

Datum uitspraak: 23 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 december 2014, 14/4224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. R.A. Oliemans, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Oliemans en M. Kamalizadeh als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.H.J. Kerstens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 augustus 1998 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Naar aanleiding van meldingen dat appellant veelvuldig naar Irak reist, heeft de Sociale Recherche van de Dienst Sociale Zaken van Bergen op Zoom (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. Uit informatie van de Dienst Wegverkeer (RDW) is gebleken dat in de periode van juli 2003 tot en met juni 2011 een groot aantal voertuigen (auto’s en caravans) op naam van appellant geregistreerd heeft gestaan. De bevindingen van de sociale recherche zijn neergelegd in een rapport van 30 augustus 2011.

1.2.

Het college heeft naar aanleiding van de onderzoeksresultaten bij besluit van 27 januari 2014 de bijstand over de maanden juli 2003, juni 2005, april 2006, september 2006, september 2007, oktober 2007, januari 2008, september 2008, oktober 2008, december 2008, februari 2009, maart 2009, april 2009, september 2009, november 2009, januari 2010, augustus 2010, september 2010, april 2011 en juni 2011 ingetrokken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 37.406,52 bruto van appellanten teruggevorderd. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant zich heeft beziggehouden met de export van voertuigen en dat het hier gaat om op geld waardeerbare activiteiten. Door het niet melden daarvan hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Door het ontbreken van objectieve en verifieerbare gegevens over de hoogte van de daaruit verkregen inkomsten is het niet mogelijk het recht op bijstand over die maanden vast te stellen.

1.3.

Bij besluit van 11 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 27 januari 2014 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft nogmaals beoordeeld of en, zo ja, welke voertuigen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Hierbij is gekeken naar de duur van de tenaamstelling, de vraag of op enig moment meerdere voertuigen tegelijk op naam hebben gestaan en of er andere redenen waren die het buiten beschouwing laten van de voertuigen konden rechtvaardigen. Dit heeft ertoe geleid dat het college de intrekking over de maanden januari 2010, augustus 2010 en april 2011 heeft herroepen en de bijstand, naast de in het besluit van 27 januari 2014 vermelde maanden, alsnog heeft ingetrokken over de maand maart 2011. Het van appellanten terug te vorderen bedrag heeft het college nader vastgesteld op € 33.350,93 bruto.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van juli 2003 tot en met juni 2011 de kentekens van achttien auto’s en twaalf caravans op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. Van negen auto’s heeft het college, gelet op de periode waarin deze op naam van appellant hebben gestaan, aangenomen dat deze voor eigen gebruik waren bestemd. De overige tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op die gegevens, aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de resterende 21 voertuigen, voor de WWB, relevante transacties hebben plaatsgevonden. Daarmee wordt bedoeld dat appellant inkomsten in verband met de overdracht van de voertuigen heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden. Het aantal voertuigen dat het college in aanmerking heeft genomen hebben appellanten niet betwist, evenmin de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden.

4.2.

Appellanten hebben deze transacties niet gemeld. Hun betoog dat geen sprake was van meldingplichtige transacties, nu zij daaruit zelf geen inkomsten hebben genoten, wordt niet gevolgd. Deze transacties moeten worden aangemerkt als op geld waardeerbare activiteiten, waarvan het appellanten redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat appellanten, naar zij stellen, van de transacties geen profijt hebben gehad, doet aan het vorenstaande niet af. Appellanten hebben dan ook de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden.

4.3.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Het is aan appellanten om aannemelijk te maken dat zij, indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de desbetreffende maanden recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zouden hebben gehad. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

4.4.

Appellanten hebben verklaard dat de broer van appellant hem geld gaf om zijn hobby te financieren, dat de broer, die in Engeland verblijft, zelf geen auto’s op zijn naam kon laten zetten en dat dus deed via appellant, en dat alle opbrengsten aan de broer ten goede zijn gekomen. Deze verklaring wordt niet gevolgd. Allereerst is dit betoog in tegenspraak met wat appellant in bezwaar heeft verklaard. Hij heeft toen verklaard wel eens oude auto’s of een caravan te kopen en die naar familie in Irak te sturen. De waarde van alle voertuigen die hij heeft verkocht varieert van € 250,- tot € 750,- per stuk. Appellant heeft daarbij ook gesteld: “Mijn winst per voertuig bedraagt 10%. (…) Mijn totale winst komt op € 2.000,-.” Voorts zijn de verklaringen van de broer met de daarbij opgestelde lijst van kopers niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd.

4.5.

Controleerbare gegevens over de uit de transacties ontvangen inkomsten ontbreken. Daarom kan het recht op bijstand over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet worden vastgesteld. Dat het volgens appellanten ging om oudere voertuigen zonder restwaarde van betekenis betekent niet dat de transacties geen invloed op de verlening van bijstand (kunnen) hebben. Omdat het college aan de intrekking inkomsten uit transacties en niet vermogen in auto’s ten grondslag heeft gelegd, is de gestelde geringe waarde van de auto’s niet van betekenis. Verwezen wordt naar de uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BK9786.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A. Stehouwer en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2016.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) G.J. van Gendt

HD