Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3200

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
14/346 WIJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen WIJ-uitkering. Alsnog bbz beoordeeld. Afwijzing op grond dat niet is onderbouwd dat feitelijk inkomen afweek van boekhoudkundige gegevens.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/361
JB 2016/210
ABkort 2016/331

Uitspraak

14/346 WIJ, 14/1298 WIJ

Datum uitspraak: 30 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 december 2013, 11/2013 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Matadien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 15 februari 2016 heeft mr. E. Yilmaz, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2016, gevoegd met de zaak

14/2624 WWB. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Yilmaz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.B.H. Fijneman. In zaak 14/2624 wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Het college heeft bij besluit van 12 augustus 2010 aan appellant een inkomensvoorziening op grond van de Wet investeren in jongeren (WIJ) toegekend over de periode van 14 april tot en met 27 juni 2010.

1.2.

Appellant was na 27 juni 2010 werkzaam als zelfstandige.

1.3.

Appellant heeft op 9 december 2010 een werkleeraanbod op grond van de WIJ aangevraagd, dat bij besluit van dezelfde datum is toegekend. Het college heeft naar aanleiding van deze aanvraag tevens beoordeeld of aan appellant opnieuw een inkomensvoorziening op grond van de WIJ moet worden toegekend. Bij besluit van

28 december 2010, gehandhaafd bij besluit van 29 maart 2011 (bestreden besluit), heeft het college geweigerd aan appellant een inkomensvoorziening toe te kennen omdat hij niet alle voor de beoordeling benodigde gegevens had aangeleverd. Dit betrof met name stukken die betrekking hebben op de financiële situatie van appellant. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.4.

Bij brief van 25 juni 2013 heeft het college aan de rechtbank laten weten zich nader op het standpunt te stellen dat appellant op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder m, van de WIJ geen recht heeft op een inkomensvoorziening op grond van de WIJ.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd omdat het college de grondslag van het bestreden besluit heeft gewijzigd. Daarbij heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant geen recht had op een inkomensvoorziening op grond van de WIJ omdat hij zelfstandige was. Omdat het beroep gegrond is verklaard heeft de rechtbank voorts bepaald dat het college aan appellant het betaalde griffierecht moet vergoeden. De rechtbank heeft geen proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand toegekend onder de overweging dat, gelet op het stadium van de procedure waarin de gemachtigde van appellant in de procedure is betrokken, niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Het hoger beroep is gericht tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit en het niet toekennen van een proceskostenvergoeding.

3.2.

Bij besluit van 10 juli 2013 (nader besluit), voor zover hier van belang, heeft het college aan appellant meegedeeld dat alsnog is beoordeeld of hij met ingang van 9 december 2010 in aanmerking komt voor een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Uit een berekening van het inkomen van appellant over het boekjaar 2010 is gebleken dat hij over dit jaar een inkomen had dat € 286,96 hoger was dan de bijstandsnorm op jaarbasis. Daaruit volgt dat hij in 2010 geen recht had op een aanvullende uitkering op grond van het Bbz.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad zal het nader besluit op grond van het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling betrekken, voor zover dit besluit betrekking heeft op de weigering om aan appellant met ingang van 9 december 2010 een (aanvullende) uitkering op grond van het Bbz toe te kennen.

4.2.

In artikel 42, eerste lid, aanhef en onder m, van de WIJ zoals dit destijds gold, is bepaald dat geen recht op de inkomensvoorziening bestaat indien de jongere een zelfstandige is die aanspraak kan maken op bijstand op grond van artikel 78f van de WWB. Ingevolge laatstgenoemd artikel, voor zover hier van belang, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van de WWB aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen. De in artikel 78f van de WWB bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Bbz.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zelfstandige was. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant op grond van artikel 42, eerste lid, aanhef en onder m, van de WIJ geen recht had op een inkomensvoorziening op grond van de WIJ. Bij de beoordeling of appellant op grond van de aanvraag recht heeft op een uitkering is het Bbz van toepassing.

4.4.

De te beoordelen periode loopt van 9 december 2010, de datum van de aanvraag, tot en met 28 december 2010, de datum van het afwijzingsbesluit. Appellant heeft aangevoerd dat de te beoordelen periode vanaf 28 juni 2010 zou moeten lopen, omdat toen zijn vorige uitkering op grond van de WIJ is geëindigd. Hij had verwacht vanaf die datum als zelfstandige zelf in zijn onderhoud te kunnen voorzien, maar zijn inkomsten vielen tegen waardoor hij in behoeftige omstandigheden is komen te verkeren. Het college had hier volgens appellant rekening mee moeten houden, mede gezien zijn medische en psychische situatie.

4.5.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de bepaling van de ingangsdatum van een uitkering op grond van het Bbz zijn de artikelen 43 en 44 van de WWB van toepassing. Volgens vaste rechtspraak inzake toepassing van deze artikelen (uitspraak van 21 maart 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV8690) bestaat in beginsel geen recht op bijstand over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen of - in voorkomende gevallen - een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Van bijzondere omstandigheden is geen sprake. Uit de beschikbare gegevens blijkt niet dat appellant, zoals hij heeft gesteld, is afgehouden van het indienen van een aanvraag. In zoverre slaagt het hoger beroep niet.

4.6.

De rechtbank heeft, ondanks de gegrondverklaring van het beroep van appellant en de vernietiging van het bestreden besluit, geen aanleiding gezien om een proceskostenvergoeding voor verleende rechtsbijstand toe te kennen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de toenmalige gemachtigde van appellant pas in een later stadium bij de procedure is betrokken, namelijk nadat het onderzoek ter zitting van de rechtbank op 29 mei 2012 was geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen met behulp van juridische bijstand nadere stukken over zijn financiële situatie in te dienen bij het college. Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek op een nadere zitting achterwege kan blijven, zodat de gemachtigde geen kosten heeft hoeven maken voor het bijwonen van een zitting. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het, gezien het gewijzigde standpunt van het college, in de rede had gelegen wel een proceskostenvergoeding toe te kennen.

4.7.

Deze beroepsgrond slaagt. Het is niet van belang op welk moment een gemachtigde in de procedure is betrokken. Het gaat om de vraag of hij proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. De gemachtigde van appellant heeft bij brieven van 5 december 2012 en 24 mei 2013 een reactie gegeven op vragen van de rechtbank. Voorts heeft de gemachtigde bij brief van 14 augustus 2013 gebruik gemaakt van de door de rechtbank geboden gelegenheid om te reageren op het verweer van het college. Het gaat hierbij om proceshandelingen waarvoor een halve procespunt kan worden toegekend. Nu de rechtbank dit niet heeft onderkend, moet de aangevallen uitspraak in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad een proceskostenvergoeding toekennen voor het verlenen van rechtsbijstand in beroep en daarbij voor de berekening uitgaan van 1,5 procespunt. Deze procespunten vertegenwoordigen een waarde van € 744,- in totaal.

4.8.

Ten aanzien van de in het nader besluit neergelegde weigering om aan appellant een aanvullende uitkering op grond van het Bbz toe te kennen heeft appellant aangevoerd dat het college ten onrechte uitsluitend op de overgelegde jaarcijfers is afgegaan, aangezien dit slechts een boekhoudkundig beeld geeft van de financiële situatie van het bedrijf van appellant en niets zegt over het feitelijk verkregen inkomen. In 2010 is formeel omzet gemaakt door openstaande vorderingen. Een deel van de debiteuren heeft pas in 2011 de rekeningen voldaan en appellant heeft ook een aantal openstaande vorderingen moeten afschrijven omdat deze niet geïnd konden worden. Hierdoor is zijn omzet in 2010 veel lager uitgekomen dan uit de jaarcijfers van 2010 blijkt. Hij is destijds door een door het college gestelde deadline onder druk gezet om financiële gegevens over te leggen die slechts een voorlopig karakter hadden. Pas in 2014 zijn de definitieve jaarcijfers over 2010 vastgesteld.

4.9.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Appellant heeft niet met verifieerbare stukken onderbouwd dat de feitelijke situatie van zijn bedrijf in 2010 afweek van de boekhoudkundige gegevens zoals die destijds door appellant zelf zijn overgelegd. Onder die omstandigheden mocht het college afgaan op die boekhoudkundige gegevens.

4.10.

Uit 4.9 volgt dat het beroep tegen het nader besluit niet slaagt, zodat dit beroep ongegrond moet worden verklaard.

5. Gelet op de gedeeltelijke vernietiging van de aangevallen uitspraak op grond van wat is overwogen onder 4.6 bestaat aanleiding om het college voorts te veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor de in hoger beroep verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het verzoek om een

proceskostenvergoeding is afgewezen;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het nader besluit ongegrond;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.736,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 118,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en M. ter Brugge en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) M.S. Spek

HD