Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3194

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
14/5737 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voldoende steun in stukken voor standpunt Uwv dat werkgeefster zonder deugdelijk grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Rechtbank heeft bestreden besluit terecht in stand gelaten. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0906
PS-Updates.nl 2016-0342

Uitspraak

14/5737 WIA

Datum uitspraak: 24 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

10 september 2014, 13/3800 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om schadevergoeding

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en verzoekt om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van schade.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben heeft nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2016. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.G. Boelen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft van 1986 tot juli 2009 gewerkt als verpleegkundige en van november 2009 tot en met december 2010 als applicatiebeheerder in dienst van [naam werkgeefster] (werkgeefster). Sinds 2009 is er sprake van een arbeidsconflict. Per

1 januari 2011 is appellante op non-actief gesteld. Op 14 augustus 2011 heeft appellante zich ziek gemeld als gevolg van een auto-ongeval.

1.2.

Op 28 mei 2013 heeft appellante een aanvraag gedaan voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De daarop volgende beoordeling van de re-integratie-inspanningen van werkgeefster door een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft geleid tot een besluit van 9 augustus 2013, waarbij het tijdvak waarin appellante jegens werkgeefster recht heeft op loon tijdens ziekte is verlengd met 52 weken tot

11 augustus 2014. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is aan werkgeefster opgelegd in aansluiting op de wachttijd van 104 weken. Volgens het Uwv zijn de

re-integratie-inspanningen van werkgeefster onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond. Bij besluit van eveneens 9 augustus 2013 is de beoordeling van de WIA-aanvraag van appellante opgeschort.

1.3.

Appellante en werkgeefster hebben bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 9 augustus 2013. Bij besluit van 7 november 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv beide bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 november 2013.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Het standpunt van het Uwv dat werkgeefster zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht wordt volgens de rechtbank door werkgeefster erkend en ook niet door appellante bestreden. Appellante kan het echter niet aan om nog eens een re-integratietraject met werkgeefster te doorlopen. Nu onbetwist vaststaat dat de re-integratie-activiteiten van werkgeefster onvoldoende zijn geweest, is het Uwv ingevolge artikel 25 van de WIA verplicht een loonsanctie op te leggen.

3. Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank. Het besluit van het Uwv om aan werkgeefster een loondoorbetalingsverplichting op te leggen van 52 weken, heeft tot ernstige negatieve gevolgen voor haar geleid, zowel lichamelijk, geestelijk als financieel. Door de verlenging van de loonbetalingsverplichting met een jaar is haar gezondheidstoestand alleen maar verslechterd en is ze juist verder van de arbeidsmarkt af komen te staan. Appellante heeft in hoger beroep verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en om zowel werkgeefster en het Uwv aansprakelijk te achten voor de door haar geleden lichamelijke, psychische en financiële schade.

3.1.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellante stelt schade te hebben geleden door het opleggen van een loonsanctie aan werkgeefster. Met het oog op een mogelijke aanspraak op schadevergoeding heeft appellante belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:91, eerste lid, van de Awb is de Raad bevoegd om op verzoek van appellante het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade die appellante lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.

4.2.

Uit artikel 25, negende lid, van de Wet WIA in samenhang met artikel 65 van die wet, volgt de verplichting voor het Uwv om bij elke WIA-aanvraag een onderzoek in te stellen naar de door de werkgever en de werknemer gepleegde inspanningen om tot re-integratie via het zogenoemde eerste spoor (bij de eigen werkgever) of het tweede spoor (bij een andere werkgever) te komen. Op de uitkomsten van een dergelijk onderzoek wordt de conclusie gebaseerd dat de re-integratie-spanningen al dan niet voldoende zijn geweest.

4.3.

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 van de Wet WIA en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 van die wet, blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA het tijdvak gedurende welk de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek, opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van zijn re-integratieverplichtingen kan herstellen. De verlenging is ten hoogste 52 weken.

4.4.

Het standpunt van het Uwv dat werkgeefster onvoldoende re-integratie-activiteiten heeft verricht, is gebaseerd op de conclusies in de rapporten van de verzekeringsarts van 1 juli 2013 en de arbeidsdeskundige van 5 augustus 2013, alsmede op het in de bezwaarfase uitgebrachte rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 november 2013. De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport als tekortkoming geconstateerd dat werkgeefster te laat is gestart met het tweede spoor en in onvoldoende mate de vinger aan de pols heeft gehouden voor wat betreft verloop en voortgang van het tweede spoor. De stukken bieden naar het oordeel van de Raad voldoende steun voor het standpunt van het Uwv dat werkgeefster zonder deugdelijk grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Werkgeefster heeft dat ook erkend. Nu ook door appellante in hoger beroep niet wordt betwist dat werkgeefster tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen, wordt geconcludeerd dat de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten.

4.5.

Uit overweging 4.4 volgt dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Nu met deze uitspraak de rechtmatigheid van het bestreden besluit komt vast te staan, moet het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van de Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM