Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3192

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-08-2016
Datum publicatie
30-08-2016
Zaaknummer
14/3675 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten terecht niet-ontvankelijk verklaard, wegens een niet verschoonbare te late betaling van het griffierecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/3675 AOW, 14/3676 AOW

Datum uitspraak: 26 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
12 juni 2014, 14/2121 en 14/2177 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.P. Santokhi hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2016. Appellant noch zijn gemachtigde zijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Verbeek.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant ontvangt sinds maart 2008 een pensioen en een partnertoeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag is de Svb ervan uitgegaan dat de echtgenote van appellant geen of een te laag inkomen had. De echtgenote van appellant ontvangt sinds januari 2012 een AOW-pensioen. Appellant ontvangt sindsdien geen toeslag meer voor zijn echtgenote.

1.2.

In 2012 heeft appellant bij de Svb bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) aangevraagd. Na kennisneming van het inkomen van de echtgenote van appellant heeft de Svb bij besluit van 25 oktober 2012 de aan appellant toegekende toeslag over de periode van maart 2008 tot en met december 2011 herzien en nader vastgesteld rekening houdend met de inkomsten van de echtgenote over die periode. Bij besluit van 28 november 2012 heeft de Svb de over die periode te veel betaalde toeslag van

€ 7.266,86 teruggevorderd en een boete opgelegd van € 730,-.

1.3.

Bij een tweetal besluiten van 31 januari 2014 (bestreden besluiten) is het bezwaar tegen de besluiten van 25 oktober 2012 en 28 november 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaard, wegens een niet verschoonbare te late betaling van het griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank het beroep op betalingsonmacht niet gehonoreerd.

3. Appellant heeft in hoger beroep het beroep op betalingsonmacht herhaald en heeft daarbij verwezen naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

6 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4443 en van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:699. Appellant heeft verder aangevoerd dat bij de rechtbank ten onrechte twee maal griffierecht is geheven omdat de zaken gevoegd behandeld zijn. Volgens appellant mag bovendien geen griffierecht worden geheven omdat sprake is van een boete. Met een beroep op een aantal artikelen van de Grondwet heeft appellant ook betoogd dat het heffen van griffierecht geen raakvlakken heeft met de uitoefening van de rechterlijke macht en dat de Raad niet mag oordelen over de verschuldigdheid van het griffierecht. Tot slot heeft appellant verzocht om een integrale vergoeding van de gemaakte proceskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht. In het bijzonder is daarbij in geschil of de rechtbank terecht het beroep op betalingsonmacht niet heeft gehonoreerd.

4.2.

In de uitspraken van 13 februari 2015, gepubliceerd onder ECLI:NL:CRVB:2015:282, ECLI:NL:CRVB:2015:283 en ECLI:NL:CRVB:2015:284, heeft de Raad criteria genoemd voor vrijstelling van het griffierecht. Uit deze uitspraken volgt, in het voetspoor van de in overweging 3 genoemde uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Hoge Raad, dat zich gevallen kunnen voordoen waarin heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het voor een rechtzoekende onmogelijk, of uiterst moeilijk maakt, om gebruik te maken van een door de wet opengestelde rechtsgang.

4.3.

Van deze situatie zal sprake zijn bij een rechtzoekende, zijnde een natuurlijk persoon, die aannemelijk maakt dat – op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort het netto-inkomen waarover hij maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 90% van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en verder dat hij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald. Hierbij is de gezinssamenstelling van de rechtzoekende niet van belang en dient het inkomen en vermogen van een eventuele fiscale partner te worden opgeteld bij het inkomen en vermogen van de rechtzoekende. De (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande is per 1 januari 2013

€ 925,37, per 1 juli 2013 € 926,48, per 1 januari 2014 € 948,18, per 1 juli 2014 € 951,64 en per 1 januari 2015 € 960,83. Dit betekent dat, wil sprake zijn van de in 4.2 bedoelde situatie, het maandelijkse netto-inkomen van de rechtzoekende minder moet bedragen dan per

1 januari 2013 € 832,83, per 1 juli 2013 € 833,83, per 1 januari 2014 € 853,36, per 1 juli 2014

€ 856,48 en per 1 januari 2015 € 864,75.

4.4.

De periode waarover de hoogte van het inkomen en vermogen wordt beoordeeld, vangt aan nadat de griffier de indiener van het (hoger)beroepschrift voor de eerste maal op de verschuldigdheid van het griffierecht heeft gewezen en eindigt op de datum waarop het griffierecht uiterlijk op de rekening van het gerecht moet zijn bijgeschreven dan wel ter griffie moet zijn gestort.

4.5.

In het geval van appellant betekent dit dat de hoogte van het inkomen en het vermogen wordt beoordeeld over de periode van 19 maart 2014 tot en met 15 mei 2014.

4.6.

De Raad beschikt over de volgende financiële gegevens over voormelde periode. Appellant en zijn echtgenote hebben een AOW-pensioen en AIO-aanvulling van 1.126,86 per maand. Daarnaast ontvangt appellant een pensioen van de Stichting Pensioenfonds Campina van € 122,31. Het maandelijkse netto-inkomen van appellant komt hiermee boven de onder 4.3 genoemde grens. Dit betekent dat appellant niet voldoet aan de criteria voor vrijstelling van het griffierecht, zoals genoemd in de onder 4.2 genoemde uitspraken van
13 februari 2015. Hierbij kan in het midden worden gelaten of appellant al dan niet voor het einde van de door de griffier van de rechtbank gestelde betalingstermijn een beroep op betalingsonmacht kenbaar heeft gemaakt. Dit betekent dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig betalen van het griffierecht.

4.7.

Wat betreft de stelling van appellant dat geen griffierecht mag worden geheven indien sprake is van een boete, wordt verwezen naar de uitspraken van 13 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1242, en van 13 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ4763. In die uitspraken is geoordeeld dat het heffen van een griffierecht ter zake van een bestuurlijke boete in het kader van de schending van een verplichting uit de Werkloosheidswet in beginsel geen wezenlijke inbreuk vormt op het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden neergelegde recht op toegang tot de rechter. Evenmin werd de hoogte van het griffierecht van € 111,- in die zaken als onevenredig bezwarend aangemerkt. In het geval van appellant, waarbij sprake is van een griffierecht van twee maal € 45,-, is geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.

4.8.

Appellant heeft gesteld dat hij ingevolge op artikel 8:41, derde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) slechts eenmaal griffierecht verschuldigd was omdat het zijn beroepschrift twee samenhangende besluiten betreft. Nu appellant feitelijk uiteindelijk geen griffierecht heeft betaald, kan deze grief niet slagen.

4.9.

Tot slot wordt overwogen dat de bevoegdheid tot het heffen van griffierecht door de griffier is neergelegd in artikel 8:41 van de Awb. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep. Deze artikelen vormen voldoende grondslag voor het heffen van griffierecht door de griffier. Dat het LDCR – het landelijk dienstencentrum van de rechtspraak – de administratieve afwikkeling van deze heffing doet, maakt dit niet anders. Het betoog van appellant in dit verband en het beroep op de diverse artikelen van de Grondwet kan dan ook niet slagen.

4.10.

Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van

N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
26 augustus 2016.

(getekend) E.E.V. Lenos

(getekend) N. van Rooijen

NK