Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3181

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
16/3877 PW-VV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitspraak in hoofdzaak. Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand omdat de woonplaats van verzoeker niet vaststaat. Beroep op artikelen 6, 13, 14 en 17 EVRM slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/3877 PW-VV, 16/2095 PW, 16/3878 PW-VV, 16/2096 PW, 16/3879 PW-VV,

16/2097 PW, 16/3880 PW-VV, 16/2098 PW, 16/3881 PW-VV, 16/2099 PW

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2016, 15/5959 (aangevallen uitspraak 1), 15/4241 (aangevallen uitspraak 2), 15/4242 (aangevallen

uitspraak 3), 15/4243 (aangevallen uitspraak 4) en 15/5960 (aangevallen uitspraak 5), en op de verzoeken om toepassing van artikel 8:81 van de Awb van 11 mei 2016

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 22 augustus 2016

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. P. van Baaren, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Tevens heeft mr. Van Baaren namens verzoeker verzoeken om een voorlopige voorziening gedaan.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting in deze zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 8 augustus 2016. Verzoeker is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. el Fizazi.

OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoeker heeft een vijftal aanvragen om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten van rechtsbijstand en/of griffierecht, welke door het college zijn afgewezen bij besluiten van 16 april 2015 (besluit 1), 21 april 2015 (besluit 2), 28 april 2015 (besluit 3), 18 juni 2015 (besluit 4) en 17 juli 2015 (besluit 5).

1.2.

Bij besluiten van 17 juni 2015 (bestreden besluiten 1 tot en met 3) en 14 september 2015 (bestreden besluiten 4 en 5) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1 tot en

met 5 ongegrond verklaard. Aan deze besluitvorming ligt ten grondslag dat verzoeker onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonplaats en woonadres, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden

besluiten 1 tot en met 5 ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd. Tevens heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze voorziening dient te bestaan uit de toekenning van bijzondere bijstand voor de in 1.1 genoemde kosten.

4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

4.4.

Om redenen van efficiency en ten behoeve van de leesbaarheid zal de voorzieningenrechter de beroepsgronden in thematische volgorde bespreken.

Woon- en verblijfplaats (zaken 1 tot en met 5)

4.5.

De vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

4.6.

Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen, onder meer over zijn woon- en verblijfplaats. Naar vaste rechtspraak (uitspraak van 13 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:15) kan ook van iemand die stelt dak- of thuisloos te zijn worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.7.

Verzoeker heeft aangevoerd dat hij met controleerbare gegevens duidelijkheid heeft verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats, namelijk [woonplaats]. In dit verband heeft verzoeker erop gewezen dat hij steeds procedeert in [woonplaats], dat hij steeds bij zijn advocaat is in [woonplaats] en dat hij zijn ex-vrouw en kind bezoekt in [woonplaats]. Hiertegenover staat volgens verzoeker geen enkele aanwijzing dat hij daar niet zijn verblijfplaats heeft en een connectie heeft met een andere gemeente. Deze beroepsgrond slaagt niet. De door verzoeker genoemde omstandigheden geven immers niet afdoende uitsluitsel over waar hij zijn feitelijke woon- en verblijfplaats had ten tijde van de aanvragen om bijzondere bijstand.

4.8.

Verzoeker heeft gesteld dat het college misbruik maakt van de situatie. Het is namelijk de gemeente die uitkeringsgerechtigden het leven zuur maakt indien zij derden laten logeren. Voorts kan van verzoeker, gelet op zijn maatschappelijke afkomst, niet worden verlangd dat hij zich inschrijft op een adres voor daklozen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verzoeker heeft om hem moverende redenen niet kenbaar gemaakt op welk(e) adres(sen) hij verblijft of heeft verbleven. Evenmin heeft hij ervoor gekozen om zich te laten inschrijven op een door de gemeente [woonplaats] beschikbaar gesteld adres voor daklozen. Die keuze komt, gelet op het overwogene in 4.6, voor rekening en risico van verzoeker.

4.9.

Voor zover verzoeker heeft gesteld dat hij volgens een uitspraak uit 2006 van de rechtbank [woonplaats] wel recht heeft op bijzondere bijstand, ongeacht of hij kan bewijzen dat hij in [woonplaats] is ingeschreven, wordt het volgende overwogen. Nog daargelaten dat de bewuste uitspraak zich niet onder de dossierstukken bevindt, geldt volgens vaste rechtspraak

van de Raad (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) dat bij de vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de WWB geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA), thans: basisregistratie personen. Zoals is weergegeven in 4.5 gaat het bij de beoordeling van de vraag waar iemand woont om de concrete feiten en omstandigheden. Uit 4.7 en 4.8 volgt dat niet is gebleken dat verzoeker zijn woon- en verblijfplaats in [woonplaats] had ten tijde van de aanvragen om bijzondere bijstand.

Beroep op artikelen 6, 13, 14 en 17 EVRM (zaken 4 en 5)

4.10.

Verzoeker heeft gesteld dat artikel 6, derde lid, onder c, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. In die verdragsbepaling is geregeld dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het gaat in de onderhavige zaken namelijk niet om strafrechtelijke procedures, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het EVRM zich niet tot verzoeker uitstrekt. De stelling van verzoeker dat het recht op een eerlijk proces - dat is neergelegd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM - is geschonden doordat hij geen financiƫle mogelijkheden heeft om de kosten van de procedures te betalen, kan de voorzieningenrechter niet volgen. Verzoeker heeft in twee instanties zijn gronden tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 5 naar voren kunnen brengen en hij heeft dit ook daadwerkelijk gedaan. Daarbij is verzoeker in deze procedures bijgestaan door een advocaat.

4.11.

Het beroep van verzoeker op artikel 13 van het EVRM slaagt evenmin. In die verdragsbepaling is geregeld, voor zover hier van belang, dat een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Verzoeker heeft in twee instanties zijn gronden tegen de bestreden besluiten 1 tot en met 5 naar voren kunnen brengen en hij heeft dit ook daadwerkelijk gedaan.

4.12.

Voorts faalt het beroep op het in artikel 14 van het EVRM neergelegde verbod van discriminatie. Niet valt in te zien en niet is nader onderbouwd op grond waarvan in dit geval, in het kader van de afgewezen aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand en/of griffierecht, sprake zou zijn van een verboden onderscheid als bedoeld in artikel 14 van het EVRM.

4.13.

Tot slot is ook niet gebleken van misbruik van recht als bedoeld in artikel 17 van het EVRM. Verzoeker heeft in dit verband gewezen op de verwijdering destijds uit de GBA en de intrekking van de bijstand, maar deze kwesties liggen hier niet ter beoordeling voor.

4.14.

Uit 4.5 tot en met 4.13 volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1 tot en met 5 moeten worden bevestigd. Gelet daarop bestaat geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat de verzoeken daartoe moeten worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Mansourova

HD