Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:318

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2016
Datum publicatie
01-02-2016
Zaaknummer
14-2017 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijzondere bijstand. Nota's dierenarts. geen medische/psychosociale indicatie voor meerkosten. Geen bijzondere omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2016/361
RSV 2016/49 met annotatie van H. van Deutekom
USZ 2016/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/2017 WWB, 14/5975 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van

5 maart 2014, 13/4460 (aangevallen uitspraak 1) en van 30 september 2014, 14/3841 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. C.I. Zaad, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Zaad. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben op 12 november 2012 een aanvraag ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van medische behandelingen van hun hond Pepper. Appellanten hebben deze hond, een Engelse Bulldog, sinds 2003 in hun bezit en zij hebben voor deze kosten geen verzekering afgesloten. Het gaat om facturen van de dierenarts over de periode van 20 augustus 2008 tot en met 2 november 2012, tot een bedrag van € 2.127,76. Voor een gedeelte van de facturen hebben appellanten al eerder een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend, die bij besluit van 24 augustus 2010 is afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 13 januari 2011 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Bij besluit van 7 januari 2013 (besluit 1) heeft het college de aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van bijzondere noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van

6 mei 2013 (bestreden besluit 1), met wijziging van de grondslag, ongegrond verklaard. Deels is sprake van een herhaalde aanvraag en deels ziet de aanvraag op kosten die dateren van vóór de datum van de aanvraag. Daarbij heeft het college het standpunt ingenomen dat geen sprake is van nova en ook niet van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De omstandigheid dat appellanten Pepper als een volwaardig gezinslid beschouwen kan evenmin als relevante bijzonderheid gelden.

1.3.

Appellanten hebben op 4 oktober 2013 wederom bijzondere bijstand verzocht ter betaling van een aantal nota’s van de dierenarts wegens medische kosten van Pepper en twee konijnen. Het betreft facturen over de periode van 27 december 2012 tot en met 22 september 2013, tot een totaalbedrag van € 1.587,25. Bij besluit van 21 oktober 2013 (besluit 2) heeft het college ook deze aanvraag afgewezen op de grond dat deze kosten niet als bijzondere noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB kunnen worden aangemerkt. Bij besluit van 3 april 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 21 oktober 2013 ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het hebben van huisdieren een eigen keuze is en dat de kosten die daarmee verband houden in het kader van de WWB niet als noodzakelijke kosten kunnen worden aangemerkt.

1.4.

Tegen de bestreden besluiten 1 en 2 hebben appellanten beroep ingesteld.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, overwogen dat ten aanzien van de eerdere aanvraag om bijzondere bijstand (waarop onherroepelijk is beslist) geen nieuwe relevante feiten of omstandigheden zijn gesteld, dat ten aanzien van de facturen tot oktober 2012 geen sprake is van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht rechtvaardigen en dat het college zich ten aanzien van de facturen uit oktober en november 2012 terecht op het standpunt heeft gesteld dat de kosten van het houden van een hond niet zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in

artikel 35, eerste lid, van de WWB.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover van belang, overwogen dat de kosten verbonden aan het houden van dieren, waaronder ook kosten van de dierenarts, in beginsel niet als noodzakelijk in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB kunnen worden beschouwd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, bijvoorbeeld een medische of psychische noodzaak tot het hebben van een huisdier, op grond waarvan de kosten wel als noodzakelijk dienen te worden aangemerkt. De omstandigheid dat Pepper ten tijde in geding niet meer verzekerbaar was maakt dit niet anders.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

Aangevallen uitspraak 1

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de facturen van de dierenarts voor zover die dateren uit de periode voorafgaand aan 1 oktober 2012. Niet gesteld of gebleken is dat sprake was van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, die het college zouden hebben moeten nopen tot een nieuwe inhoudelijke beoordeling van de aanvraag voor zover daarop al eerder was beslist. Het moet dan gaan om feiten of omstandigheden die tot een andere beoordeling hadden geleid als het college daarvan ten tijde van de eerste besluitvorming op de hoogte was geweest. Anders dan appellante meent is het feit dat Pepper later nogmaals is geopereerd niet als een zodanig feit aan te merken. Verder wordt met de rechtbank geoordeeld dat van bijzondere omstandigheden, die bijstandsverlening met terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen, evenmin sprake is. Niet is aangevoerd dat appellanten buiten staat waren eerder een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen en het gestelde gebrek aan wetenschap, in die zin dat zij niet wisten dat voor kosten als deze mogelijk aanspraak op bijzondere bijstand kan worden gemaakt, kan niet worden gevolgd, reeds omdat zij al eerder een aanvraag om bijzondere bijstand voor soortgelijke kosten hadden ingediend (en daarop afwijzend is beslist).

4.3.1.

Wat betreft de vier facturen over de maanden oktober en november 2012 wordt het volgende overwogen.

4.3.2.

Kosten die verband houden met het bezit van een hond als huis- of gezelschapsdier

- waaronder kosten van de dierenarts - behoren tot de algemene kosten van het bestaan, die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau dienen te worden voldaan. Als er een medische of psychosociale indicatie is voor het hebben en houden van een hond, zoals bijvoorbeeld ingeval van een blindengeleidehond of een hulphond die wordt benut in het kader van een therapie, kunnen de noodzakelijke meerkosten - als daarvoor geen voorliggende voorziening bestaat - in beginsel voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Van meerkosten is sprake als de (medische) kosten voor de hond zo hoog oplopen dat deze de reguliere kosten, die zijn verbonden aan het hebben van en de zorg voor een hond, overstijgen. Het is in een dergelijk geval aan de aanvrager aannemelijk te maken dat sprake is van noodzakelijke meerkosten, dat deze kosten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien en dat zij niet uit het beschikbare inkomen kunnen worden voldaan.

4.3.3.

Appellanten hebben betoogd en uitgebreid toegelicht dat en waarom Pepper een zeer speciale plaats in hun gezin inneemt en in feite als gezinslid moet worden gezien. Het college heeft dit niet betwist. Deze omstandigheid brengt echter op zichzelf niet mee dat een medische of sociale indicatie voor het houden van een hond, in het bijzonder Pepper, zoals onder 4.3.2 bedoeld, aanwezig was. Appellanten hebben zodanige indicatie niet aannemelijk gemaakt. Zij hebben geen objectieve medische of psychosociale gegevens ten aanzien van henzelf in het geding gebracht, die hun standpunt omtrent de noodzaak en bijzondere omstandigheden zouden kunnen staven of ondersteunen. Hun aanbod ter zitting van de Raad ter zake wordt, reeds omdat dit onvoldoende is geconcretiseerd, gepasseerd. Onvoldoende grond bestaat dan ook om de voor het welzijn van Pepper noodzakelijke kosten van medische behandeling te bestempelen als kosten die voor appellanten uit bijzondere omstandigheden voortvloeien. Verder kan, anders dan appellanten menen, een hond voor de toepassing van de WWB niet op één lijn worden gesteld met een kind of een gezinslid. Een hond kan ook niet als zelfstandig subject van bijstand worden aangemerkt en heeft dus, anders dan appellanten betogen, niet zelf recht op de gevraagde bijzondere bijstand. Het gegeven dat voor een hond hondenbelasting is verschuldigd of wordt betaald, maakt dit niet anders. Met de rechtbank moet dan ook worden geoordeeld dat, hoezeer appellanten zich ook het lot van Pepper aantrekken en hoezeer zij zich moreel verplicht voelen haar een goede oude dag te bezorgen, de facturen van de dierenarts over oktober en november 2012 niet als kosten in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB zijn aan te merken.

4.3.4.

Appellanten hebben nog aangevoerd dat het college zich onvoldoende van zijn zorgplicht jegens hen heeft gekweten. De Raad begrijpt dit aldus dat appellanten menen dat het college hen in hun levensgeluk dwarsboomt door hen een bijdrage uit het bijstandsbudget voor de medische kosten van Pepper te onthouden en dat het college ervoor dient te zorgen dat huisdieren betaalbaar blijven voor mensen met een minimuminkomen. Deze grond slaagt niet. Bedoelde zorgplicht, wat daarvan ook zij, brengt niet mee dat het college gehouden is om in afwijking van het bepaalde in artikel 35, eerste lid, van de WWB bijzondere bijstand toe te kennen.

4.3.5.

Appellanten hebben tot slot nog een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Ook deze beroepsgrond treft geen doel. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is in ieder geval vereist dat van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is hier geen sprake. Anders dan appellanten betogen is het openstaan en bieden van de mogelijkheid om - zelfs nadat de kosten zijn gemaakt en (al dan niet met behulp van derden) zijn voldaan - een aanvraag om bijzondere bijstand in te dienen niet te beschouwen als een toezegging in de hiervoor genoemde zin of daarmee op één lijn te stellen.

4.4.

Uit 4.2 tot en met 4.3.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak 1 zal daarom worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 2

4.5.1.

De hier aan de orde zijnde kosten hebben behoudens een factuur voor de euthanasie van twee konijnen eveneens betrekking op de hond Pepper. Het oordeel van de rechtbank dat ook deze kosten niet kunnen worden gerekend tot de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB wordt onderschreven. Volstaan wordt met verwijzing naar wat daarover hierboven in 4.3.2 en 4.3.3 van deze uitspraak is overwogen. Ook voor de factuur van de twee konijnen geldt dat deze kosten behoren tot de algemene kosten van het bestaan die in beginsel uit het inkomen op bijstandsniveau moeten worden voldaan. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn niet gesteld of gebleken.

4.5.2.

Appellanten hebben nog aangevoerd dat zonder hond vereenzaming zou dreigen. Nog daargelaten dat appellanten niet duidelijk hebben gemaakt hoe daarvan in een gezinssituatie sprake kan zijn, kan ook dit aspect zonder nadere objectieve medische of psychosociale onderbouwing niet tot de conclusie leiden dat sprake is van kosten waarin met toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient te worden voorzien.

4.5.3.

Appellanten hebben zich er ten slotte nog op beroepen dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. In dat verband hebben zij erop gewezen dat onder meer de gemeente Tilburg minima wel financiële steun verleent als het gaat om zieke huisdieren. Dit beroep op rechtsongelijkheid slaagt evenmin. Zoals de Raad al vaker heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY8923) voorziet de WWB immers in een gedecentraliseerde uitvoering. De mogelijkheid van een verschil in de praktijk bij de toepassing van de wet- en regelgeving op het terrein van de bijzondere bijstand is daarmee gegeven.

4.6.

Uit 4.5.1 tot en met 4.5.3 volgt dat het hoger beroep geen doel treft. Ook de aangevallen uitspraak 2 zal daarom worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken 1 en 2.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

M. ter Brugge als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) M.S. Boomhouwer

HD