Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
29-08-2016
Zaaknummer
16/274 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Appellant is door zijn houding en gedrag ontslagen. Appellant heeft door het ontslag zijn kans op bemiddeling naar ander werk laten lopen en de inschakeling naar arbeid belemmerd. De Raad oordeelt dat er onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor van het college dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid bij de [werkgever] niet heeft behouden en daarmee de inschakeling naar arbeid heeft belemmerd. Dit betekent dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat het college de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van een maand met 30% heeft verlaagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

16/274 WWB

Datum uitspraak: 16 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland

van 1 december 2015, 15/1400 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Zahi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2016. Appellant is met bericht niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 25 maart 2014 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

In het kader van het project [naam project] van de gemeente Haarlemmermeer, heeft appellant op 17 juli 2014 met [werkgever] een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van zes maanden. [werkgever] is onderdeel van [naam groep]. [naam groep] is een organisatie die zich tot doel stelt mensen met een indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening of anderszins een afstand tot de arbeidsmarkt hebben, te stimuleren en te ondersteunen bij hun eigen ontwikkeling, met als doel het vinden van een reguliere arbeidsplaats. De [naam groep] heeft afspraken met opdrachtgevers over daarvoor beschikbaar gestelde productieplaatsen. In de arbeidsovereenkomst is onder meer opgenomen dat appellant op 28 juli 2014 voor gemiddeld 32 uur per week in dienst treedt, dat een proeftijd van een maand in acht wordt genomen, dat het gaat het om niet-gesubsidieerd productiewerk en dat het salaris € 1.196,16 bruto per maand bedraagt.

1.3.

Bij brief van 22 augustus 2014 heeft de directeur van [werkgever], [naam directeur H] (H), appellant meegedeeld dat het dienstverband, in de proeftijd, per 23 augustus 2014 wordt beëindigd omdat appellant helaas niet voldoet aan de eisen die aan een goede

functie-uitoefening gesteld worden. Dit komt onder andere omdat hij geen overzicht heeft van het werk, de kwaliteit van zijn werk regelmatig niet acceptabel is en hij moeite heeft met routinewerk. Ook zijn er geen aanwijzingen dat hij de functie binnen redelijke tijd naar behoren zal kunnen uitoefenen.

1.4.

Op 5 november 2014 is er door een medewerker van de Cluster Sociale Dienstverlening van de gemeente Haarlemmermeer (SDV) telefonisch contact geweest met [naam G] (G) van de [naam groep]. Een weergave van dit gesprek is opgenomen in een rapport van

5 november 2014. Over het gesprek met G is daarin, samengevat, het volgende opgenomen: geen pro-actieve opstelling in het werk door appellant, geen consistente aanwezigheid in de ruim drie weken proeftijd, ook ziekmelding, het niet opvolgen van instructies en discussies hierover, en de overeenkomst is beëindigd in de proeftijd omdat het vertrouwen dat het nog goed zou komen weg was.

1.5.

Bij besluit van 5 november 2014 heeft het college de bijstand van appellant bij wijze van maatregel met ingang van november 2014 voor de duur van één maand met 100% verlaagd.

1.6.

Bij besluit van 12 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gegrond verklaard in die zin dat de hoogte van de maatregel van 100% wordt verlaagd naar 30%. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de maatregel van 100% niet in overeenstemming is met de Maatregelenverordening WWB 2013 van de gemeente Haarlemmermeer. Appellant is door zijn houding en gedrag ontslagen. Appellant heeft door het ontslag zijn kans op bemiddeling naar ander werk laten lopen en de inschakeling naar arbeid belemmerd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat er geen verifieerbare verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat het standpunt van het college dat appellant door zijn houding en gedrag de inschakeling naar arbeid heeft belemmerd, gebaseerd is op de in 1.3 vermelde brief (ontslagbrief) en het in 1.4 weergegeven telefonische contact met de [naam groep].

4.2.

Het besluit tot het opleggen van een maatregel is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor het opleggen van een maatregel is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Meer concreet betekent dit dat het college zijn standpunt dat appellant door zijn houding en gedrag bij de [naam groep] is ontslagen en daarmee de inschakeling naar arbeid heeft belemmerd, aannemelijk moet maken.

4.3.

Het college heeft niet aan de in 4.2 genoemde bewijslast voldaan. De weergave in het rapport van 5 november 2014 van hetgeen G heeft verklaard over appellant, heeft niet de betekenis die het college daaraan toekent. Hierbij is van belang dat het college ter zitting van de Raad heeft meegedeeld niet te weten welke functie G bekleedde bij de [naam groep]. G zou volgens het college mogelijk bij personeelszaken werkzaam kunnen zijn. Niet kan worden vastgesteld of G direct betrokken was bij het functioneren van appellant. Verder ontbreken concrete feiten en omstandigheden. De stelling van het college dat er geen dossier is aangelegd omdat het gaat om een ontslag in de proeftijd, maakt dit, gelet op 4.2, niet anders. Bovendien vindt hetgeen G telefonisch heeft meegedeeld aan de medewerker van de SDV geen steun in de in 1.3 weergegeven ontslagbrief. Uit die ontslagbrief kan weliswaar worden afgeleid dat appellant niet over de capaciteiten beschikt die vereist zijn voor het op goede wijze vervullen van de functie, maar niet dat appellant door eigen toedoen is ontslagen.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid bij de [naam groep] niet heeft behouden en daarmee de inschakeling naar arbeid heeft belemmerd. Dit betekent dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, zodat het college de bijstand van appellant ten onrechte voor de duur van een maand met 30% heeft verlaagd.

4.5.

De rechtbank heeft wat onder 4.4 is overwogen niet onderkend. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding om gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. In aanmerking genomen dat het college de verweten gedraging niet aannemelijk heeft gemaakt, was er geen ruimte voor het opleggen van een maatregel. Het besluit van

5 november 2014 zal daarom worden herroepen.

4.6.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 496,- in beroep en € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 992,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 12 februari 2015 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 5 november 2014 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats

treedt van het vernietigde besluit van 12 februari 2015;

- veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 169,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.M. Overbeeke als voorzitter, in tegenwoordigheid van

M. Zwart als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2016.

(getekend) A.M. Overbeeke

(getekend) M. Zwart

HD