Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
15/3726 AW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:2688, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het plaatsingsbesluit uit 2003 en niet dat van 26 maart 2013 is uitgangspunt voor de onderhavige toetsing. Beoordeling verzoek overeenkomstig herhaalde aanvragen als bepaald in artikel 4:6 van de Awb. Wat appellant heeft aangevoerd betreft geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als in dat artikel bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3726 AW

Datum uitspraak: 18 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

21 april 2015, 14/5946 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. G.A.S. Maduro hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Maduro. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. R. Duivenvoorde en L. van der Haven.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 2000 werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Bij besluit van 19 februari 2003 is hij met ingang van 1 maart 2003 in vaste dienst aangesteld, aanvankelijk in de functie van [functie A], schaal 1 bij de Dienst [naam dienst] ([dienst]), [regio]. Appellant heeft in 2013 de functie van [functie B] waargenomen. Hiervoor heeft het college appellant bij besluit van 7 februari 2013 over de periode 1 februari 2013 tot 1 januari 2014 een tijdelijke persoonlijke toelage toegekend. In verband met de vorming van het cluster Stadsbeheer is appellant bij besluit van 26 maart 2013 met ingang van 1 april 2013 overgeplaatst naar het cluster Stadsbeheer, afdeling [naam afdeling], in de functie [functie C], functiedoopnaam [naam], functionele salarisklasse 1.

1.2.

Bij brief van 11 maart 2014 heeft appellant het college verzocht hem met terugwerkende kracht vanaf 2005/2006 aan te stellen als [functie B] met het bijbehorende salaris. Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college dit verzoek afgewezen. Bij besluit van 25 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college, met overneming van het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie, het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat van een toezegging in 2001, dat appellant binnen vijf jaar zou worden aangesteld in de functie van [functie B], niet is gebleken en dat het functioneren van appellant geen aanleiding heeft gegeven om hem te bevorderen. Appellant heeft voorts in 2013 slechts tijdelijk chauffeurswerkzaamheden verricht, waarvoor hem een tijdelijke persoonlijke toelage is toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzoek van appellant om met terugwerkende kracht te worden aangesteld als [functie B] moet worden opgevat als een verzoek om terug te komen van het functietoewijzingsbesluit. Voor appellant geldt als laatste functietoewijzingsbesluit het plaatsingsbesluit van 26 maart 2013. Dit betekent dat appellant overeenkomstig artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet aandragen die een terugkomen van dit besluit rechtvaardigen. Uitgaande van de datum van het plaatsingsbesluit, kan een toezegging van een werkbegeleider aan appellant in 2001 dat hij binnen vijf jaar zou worden aangesteld als vaste [functie B], nog daargelaten dat voor deze toezegging in het dossier geen steun kan worden gevonden, niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit. Ook hetgeen appellant heeft aangevoerd over zijn werkzaamheden als [functie B] kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende een reeks van jaren incidenteel werkzaamheden heeft verricht als [functie B] en dat hij in 2013 de functie van [functie B] heeft waargenomen, waarvoor aan hem een tijdelijke persoonlijke toelage is toegekend. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant erop mocht vertrouwen dat hij na deze periode zou worden aangesteld in de functie van [functie B]. Aangezien geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bestond voor het college geen aanleiding om terug te komen van het plaatsingsbesluit.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij, in tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, op een structurele basis werkzaamheden als [functie B] verrichtte en dat hij in 2013 niet de functie van [functie B] waarnam, maar werd aangesteld als [functie B]. Volgens appellant is het college dan ook ten onrechte niet teruggekomen op de toezeggingen en het feitelijk aanstellen van appellant als [functie B].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het verzoek van appellant, waarbij hij heeft verzocht om bevordering met terugwerkende kracht vanaf 2005/2006 in de functie van [functie B], moet worden opgevat als een verzoek om vanaf 2005/2006 terug te komen van het in rechte onaantastbare plaatsingsbesluit van

19 februari 2003, waarbij hij per 1 maart 2003 in vaste dienst is aangesteld in de functie van [functie A], schaal 1. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, dient dat plaatsingsbesluit, en niet dat van 26 maart 2013, als uitgangspunt voor de onderhavige toetsing.

4.2.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een eerder ambtshalve genomen besluit verlangd worden dat hij bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeldt die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.3.

De Raad is van oordeel dat hetgeen appellant heeft aangevoerd geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden betreft, op grond waarvan het college vanaf 2005/2006 diende terug te komen van het plaatsingsbesluit. De Raad verwijst hiertoe naar de overwegingen van de rechtbank, waarmee hij kan instemmen, aangezien ook een toetsing met als uitgangspunt het besluit van 19 februari 2003 niet tot een ander oordeel kan leiden. In aansluiting hierop overweegt de Raad nog dat aan appellant alleen in 2013 een tijdelijke persoonlijke toelage is toegekend voor waarneming van de functie als [functie B] in de periode van februari 2013 tot januari 2014 en dit in geen enkele relatie staat tot zijn werkzaamheden in 2005/2006.

4.4.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

4.5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) A. Mansourova

HD