Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
15/2881 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Plichtsverzuim. Niet gemelde nevenwerkzaamheden. Beroep op gelijkheidsbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2016/183

Uitspraak

15/2881 AW

Datum uitspraak: 25 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

18 maart 2015, 14/570 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. van der Heide-Boertien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heide-Boertien. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.H. Vastenburg, A.I.M. van Seggelen en J.G. Penninga.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was sinds 14 februari 2005 werkzaam bij de Dienst [naam dienst] ([dienst]) van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) van het ministerie van Veiligheid en Justitie, laatstelijk in de functie van [functie A].

1.2.

Bij besluit van 27 november 2008 heeft de minister appellant met toepassing van

artikel 81, eerste lid, onder a, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) schriftelijk berispt.

1.3.

Bij besluit van 6 mei 2009 heeft de minister appellant met toepassing van artikel 81, eerste lid, onder f, van het ARAR wegens ernstig plichtsverzuim - onverantwoordelijk en onzorgvuldig rijgedrag waardoor collega’s, een gedetineerde en andere weggebruikers in gevaar zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht - voor de duur van een jaar met één periodiek teruggeplaatst in de voor hem geldende functieschaal.

1.4.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister appellant hangende een onderzoek naar nevenwerkzaamheden met toepassing van artikel 77 van het ARAR per 9 juli 2012 de toegang tot de gebouwen, voertuigen en terreinen van de [dienst] ontzegd.

1.5.

Nadat appellant zijn zienswijze over het voornemen daartoe had gegeven, heeft de minister appellant bij besluit van 6 juni 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

13 december 2013 (bestreden besluit), met toepassing van artikel 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het ARAR wegens ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang onvoorwaardelijk strafontslag verleend. Aan het plichtsverzuim is ten grondslag gelegd dat appellant een aangifte tegen hem voor 19 mei 2008 niet aan de dienstleiding heeft gemeld en dat appellant in elk geval tot medio 2012 nevenactiviteiten als [functie B] bij de [werkgever] heeft verricht, deze activiteiten heeft verricht zonder toestemming van het bevoegd gezag, geen opgave heeft gedaan van deze nevenactiviteiten en tijdens personeelsgesprekken en gesprekken met zijn leidinggevenden en Bureau Integriteit in strijd met de waarheid heeft verklaard en is blijven verklaren door te ontkennen dat hij deze nevenactiviteiten heeft verricht.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij geen nevenactiviteiten heeft verricht en geen plichtsverzuim heeft gepleegd. Verder heeft appellant gesteld dat onvoorwaardelijk strafontslag onevenredig is aan de aard en ernst van de verweten gedragingen. Hij heeft zich ten slotte beroepen op het gelijkheidsbeginsel en daartoe verwezen naar de bestraffing van een collega.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de circulaire Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen (Gedragscode DJI) staat vermeld dat zowel betaald als onbetaald nevenwerk kan conflicteren met de functie bij de DJI. Wanneer nevenwerkzaamheden kunnen (gaan) conflicteren met het werk bij de DJI of belangenverstrengeling opleveren, heeft de medewerker de plicht om het bevoegd gezag te melden dat hij deze nevenwerkzaamheden heeft of gaat krijgen. Werk met een verhoogd risico om met strafbare feiten in aanraking te komen, zoals de beveiligingsbranche, wordt door de DJI op voorhand gezien als conflicterend met de functie bij de DJI en moet altijd worden gemeld.

4.2.

Appellant heeft erkend dat hij op diverse momenten hand- en spandiensten heeft verricht ten behoeve van de beveiliging van de [werkgever]. Hij heeft gesteld dat als bezoeker van die gelegenheid, onbezoldigd en belangeloos te hebben gedaan. Hij heeft in onrustige situaties geholpen om (verdere) problemen te voorkomen. De Raad is van oordeel dat appellant hiermee nevenactiviteiten heeft verricht als bedoeld in de Gedragscode DJI en dat hij deze werkzaamheden had moeten melden bij het bevoegd gezag. Het doet niet ter zake dat appellant deze werkzaamheden naar zijn zeggen incidenteel, vrijwillig, onbezoldigd en belangeloos heeft verricht. Waar het om gaat is dat appellant meer dan eens activiteiten met het karakter van beveiligingswerkzaamheden heeft verricht; werkzaamheden die volgens de Gedragscode DJI op voorhand als conflicterend met de functie bij de DJI worden gezien en altijd gemeld moeten worden. Vaststaat dat appellant deze werkzaamheden niet heeft gemeld aan het bevoegd gezag. De Raad is van oordeel dat het verrichten van de genoemde werkzaamheden en het niet melden daarvan als plichtsverzuim moet worden aangemerkt.

4.3.

De Raad is verder van oordeel dat de opgelegde disciplinaire maatregel van onvoorwaardelijk ontslag, gezien de ernst en de aard van de gedragingen, de betekenis hiervan voor het functioneren binnen de DJI en de terecht gestelde eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid aan medewerkers van de DJI niet onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. Hierbij neemt de Raad in ogenschouw dat appellant zich eerder schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, daarvoor is bestraft en is gewaarschuwd dat hij bij een volgend plichtsverzuim ontslagen zou kunnen worden.

4.4.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Niet gebleken is dat de door appellant genoemde collega, die niet is ontslagen wegens nevenwerkzaamheden als [functie B], eenzelfde voorgeschiedenis van eerder ernstig plichtsverzuim heeft als appellant. Alleen al hierin verschilt zijn zaak van die van zijn collega.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD