Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:3172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-08-2016
Datum publicatie
26-08-2016
Zaaknummer
15/3849 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij appellant de vereiste eigenschappen en vaardigheden voor de vervulling van zijn functie in belangrijke mate ontbreken. Overwegingen 7 en 7.1 van de rechtbank onderschreven. Bemoeizucht leidinggevende en afrekencultuur organisatie onvoldoende aannemelijk gemaakt. College heeft geen belang meer bij beroepsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3849 AW, 15/5388 AW

Datum uitspraak: 25 augustus 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

17 april 2015, 13/2718 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Voerendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.M.A. Bruls-van Strien, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. M.J.J. Rutten, advocaat, incidenteel hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bruls-van Strien. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Rutten en drs. J.M.F. Kool.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 februari 2008 aangesteld als [functie A], tijdelijk voor de duur van een jaar in aanloopschaal 9. Op 1 februari 2009 is zijn tijdelijke aanstelling omgezet in een vaste. Bevordering naar de functieschaal (schaal 10) heeft niet plaatsgevonden.

1.2.

Tijdens een functioneringsgesprek in juni 2011 is appellant door zijn leidinggevende [naam A] te kennen gegeven dat zijn functioneren op een aantal punten aandacht behoeft. Van de acht beoordeelde competenties zijn er vijf matig, twee matig/voldoende en één voldoende gescoord. De gezichtspunten “kennis en kunde” en “zelfstandigheid/werkwijze” zijn ook matig beoordeeld.

1.3.

In december 2011 is gesproken over een mobiliteitstraject om het gewenste niveau te bereiken en is een loopbaanscan gemaakt. Het mobiliteitstraject heeft geen doorgang gevonden.

1.4.

In juni 2012 is het niveau van functioneren van appellant in verhouding tot het functioneren van de woonconsulent en de beleidsadviseur beschreven en wordt - kort gezegd - vastgesteld dat het functioneren van appellant niet op het vereiste niveau is.

1.5.

In een overleg op 10 juli 2012 is aan appellant kenbaar gemaakt dat het college in goed onderling overleg wenst te komen tot een beëindiging van het dienstverband omdat het college van mening is dat het functioneren van appellant als [functie A] niet op het gewenste niveau is. Volgens het college zijn de wenselijke competenties in onvoldoende mate aanwezig en ontbreekt het vertrouwen dat appellant deze in de toekomst verder ontwikkelt, omdat appellant al sinds februari 2008 in dienst is en sedertdien vanwege het niet op niveau functioneren nog steeds in de aanloopschaal zit.

1.6.

Na zijn voornemen daartoe aan appellant ter kennis te hebben gebracht, waarop deze zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college appellant bij besluit van 30 januari 2013 met toepassing van artikel 8:6 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling en Uitwerkingsovereenkomst voor de sector gemeenten (CAR/UWO) met ingang van 1 februari 2013 ontslag verleend uit zijn functie wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Bij dit besluit is tevens het in artikel 10d:10 van de CAR/UWO bedoelde re-integratieplan vastgesteld. Aan dit besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat een aantal kerncompetenties bij appellant onvoldoende aanwezig is, hij te reactief optreedt, te taakgericht werkt, onvoldoende zelfstandig werkt, taken uitstelt of voor zich uitschuift en moeite heeft met het aansturen van projecten en het opstellen van beleidsnota’s. Appellant is niet in staat gebleken om zijn functie volledig zelfstandig uit te oefenen en zich de voor de functie vereiste competenties eigen te maken. Ondanks de aangeboden begeleiding en de aangegeven verbeterpunten is appellant niet tot de gewenste verbetering gekomen.

1.7.

Bij besluit van 5 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van

30 januari 2013 gehandhaafd en daarin expliciet opgenomen dat appellant recht heeft op een aanvullende uitkering als geregeld in artikel l0d:25 van de CAR/UWO. Verder is het bezwaar van appellant dat het college geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in

artikel 10d:30 van de CAR/UWO niet-ontvankelijk verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat genoegzaam is gebleken dat het functioneren van appellant onvoldoende is. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat appellant niet binnen 6 weken bezwaar heeft gemaakt tegen het niet toekennen van een na-wettelijke uitkering, nu dit bezwaar pas tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht.

2.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard voor zover gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen het niet toekennen van een na-wettelijke uitkering ingevolge artikel 10d:30 van de CAR/UWO en het besluit in zoverre vernietigd. Het beroep is voor het overige ongegrond verklaard.

2.2.

De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de beoordelingen van december 2008, juni 2011 en juli 2012 blijkt dat appellant zijn functie nog niet in volle omvang naar tevredenheid uitoefende en dat uitdrukkelijke aandachtspunten en aanwijzingen voor appellant zijn benoemd. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant de inhoud van de beoordelingen als zodanig niet heeft aangevochten en dat appellant er in heeft berust dat hij tot tweemaal toe niet is bevorderd naar zijn functieschaal. Gelet op de contactmomenten tussen het college en appellant, het feit dat met appellant een behoorlijk intensief verbetertraject is afgesproken en een aanpassing van zijn takenpakket is doorgevoerd, kan de rechtbank appellant niet volgen in zijn stelling dat hem onvoldoende verbeterkansen zijn geboden en dat nimmer sprake is geweest van een concreet verbetertraject. Appellant heeft volgens de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd dat de bemoeizucht van zijn leidinggevende of een afrekencultuur binnen de organisatie mede debet zijn geweest aan zijn disfunctioneren.

2.3.

Met betrekking tot het onthouden van een na-wettelijke uitkering heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant tijdig, namelijk bij de hoorzitting, heeft aangegeven het daar niet mee eens te zijn, zodat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat niet gezegd kan worden dat het ontslag niet grotendeels aan appellant zelf te wijten is, in welk geval geen grond bestaat voor toekenning van een

na-wettelijke uitkering.

3. Partijen hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht komt de Raad tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 8:6 van de CAR/UWO kan aan de ambtenaar ontslag worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Volgens vaste rechtspraak moet ongeschiktheid voor een functie zich uiten in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie zijn vereist en worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen. Naar eveneens vaste rechtspraak (uitspraak van 18 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL9739) is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziekte of gebreken in het algemeen niet toelaatbaar, als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en niet in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is anders in als uitzonderlijk aan te merken situaties waarin het bieden van een verbeterkans niet zinvol zou zijn (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3815).

3.2.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij appellant de vereiste eigenschappen en vaardigheden voor de vervulling van zijn functie in belangrijke mate ontbreken. De Raad onderschrijft de desbetreffende overwegingen 7 en 7.1 van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe. Uit het functioneringsgespreksverslag van juni 2011 blijkt dat de scores overwegend matig en matig/voldoende zijn. Er worden vervolgens verbeterpunten geformuleerd, omdat de adviserende rol ondermaats is en leiderschapskwaliteiten ontbreken. Doelstelling is om appellant op korte termijn te laten uitgroeien tot volwaardig [functie A] en daartoe worden de concreet te nemen stappen vastgesteld. Appellant heeft de beoordelingen niet aangevochten. Uit de beoordeling van juni 2012 blijkt dat het competentieniveau onder de maat is. Gezien de verstreken tijd sinds de aanstelling van appellant kon geconcludeerd worden dat verdere groei in deze functie redelijkerwijs niet te verwachten is. Dit wordt ondersteund door de eigen verklaring van appellant bij de hoorzitting in bezwaar, waar hij heeft erkend dat hij zeker voor de grote projecten niet voldeed aan de functie-eisen en door de verklaringen van Van R en wethouder L. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat appellant niet in staat was zijn taken in het project Lindelaufer Gewande III en bij het Volkshuisvestingsplan naar behoren te verrichten.

3.3.

Met de rechtbank stelt de Raad vast dat appellant herhaaldelijk op zijn functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. De Raad verwijst verder naar het verslag van juni 2011 onder ‘Loopbaanontwikkeling’ waar als doelstelling is opgenomen dat appellant op korte termijn uitgroeit tot volwaardig [functie A]. Om dit te bereiken zal de adviseursrol worden uitgebouwd via een traject van “learning on the job”, waarbij de leidinggevende zich wat meer terugtrekt, en via inzet op projecten waarbij appellant specifiek kan werken aan het vergroten van de vereiste vaardigheden. Dat het mobiliteitstraject uiteindelijk geen doorgang heeft gevonden, wat daarvan de oorzaak ook was, doet daar niet aan af.

3.4.

Dat de bemoeizucht van de leidinggevende en een afrekencultuur binnen de organisatie debet zijn aan het vermeende disfunctioneren is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hoewel de leidinggevende heeft bevestigd dat hij er aanvankelijk te dicht op zat, heeft appellant nadat de leidinggevende vanaf juni 2011 meer afstand nam geen groei in zelfstandigheid laten zien. Dat de leidinggevende meer ruimte gaf, is door appellant niet bestreden. Ten aanzien van de beweerde afrekencultuur stelt de Raad vast dat appellant geen concrete gebeurtenissen of gedragingen heeft kunnen noemen, die een aanwijzing vormen voor een dergelijke cultuur. Hetgeen appellant hieromtrent ter zitting heeft verklaard, wijst er hooguit op dat hij moeite had om in een politiek geleide setting te werken.

3.5.

Uit het voorgaande vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat appellant geen recht heeft op een na-wettelijke uitkering, nu immers niet gezegd kan worden dat het ontslag is gelegen in omstandigheden binnen de werksfeer als bedoeld in artikel 10d:30, tweede lid, van de CAR/UWO.

3.6.

Uit hetgeen in 3.2 tot en met 3.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

3.7.

Bij een beoordeling door de Raad van de beroepsgrond van het college dat het bezwaar van appellant voor zover gericht tegen het niet-toekennen van een na-wettelijke uitkering niet tijdig is, heeft het college geen belang meer. Het college heeft daarover inmiddels een expliciet besluit genomen, in lijn met de overweging ten overvloede in het bestreden besluit, waarbij de aanvraag op die uitkering is afgewezen. Met toestemming van partijen wordt dat besluit mede in de beoordeling betrokken. Nu in 3.5 is geoordeeld dat geen grond bestaat voor toekenning van de na-wettelijke uitkering aan appellant kan de Raad zich vinden in die afwijzing, zodat het besluit stand houdt.

4. Het college zal worden veroordeeld in de proceskosten van appellant in het incidenteel hoger beroep tot een bedrag van € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.C.D. Embregts en H. Lagas als leden, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) L.V. van Donk

HD